Daan Roza
Deel 3: Ander als reductor van het Ego
Stage-onderzoek naar het Spel als Filosofisch Middel
Deel 1 – deel 2 – deel 3 – deel 4
Ander als Ding op Zichzelf
In delen 1 en 2 van dit onderzoeksverslag is duidelijk naar voren gekomen dat de ander door de geschiedenis van de filosofie heen maar weinig is opgevat als een, zoals Deleuze en Guattari het zouden noemen, ‘ding op zichzelf’; de ander is begrepen als een entiteit die gevat kan worden door het Ego. In plaats van recht te doen aan de radicale andersheid van de Ander, is de ander, in de woorden van Levinas (2018), getotaliseerd door het Ego:
“niets ontvangen van de Ander dan datgene wat in mij is, alsof ik van alle eeuwigheid bezat wat van buitenaf tot mij komt.”
Volgens Levinas heeft dit gezorgd voor een verwezenlijking van een vrij Ego: “niets ontvangen, ofwel vrij zijn.”, waar wij tot op de dag van vandaag mee opgescheept zitten. Levinas biedt echter, naast het leveren van een kritiek op de filosofie als egologie, ook een alternatief: het is mogelijk om de ander te beschouwen als Ander, als oneindigheid, waarmee hij doelt op het feit dat het niet nodig is om de ander te reduceren tot begrip. In de oneindigheid van de Ander ligt namelijk zijn kracht.

In Visitors – een experimentele film die zich kenmerkt door het tonen van close-ups van gezichten – komt de Ander als oneindigheid, zoals beschreven door Levinas, misschien wel het meest concreet aan het licht: de gezichten, ook al zijn ze soms expressieloos, zijn expressief. De kijker wordt geconfronteerd met de radicale andersheid van de Ander: de gezichten kunnen namelijk niet gereduceerd worden tot iets dat begrepen kan worden, maar zijn enkel, en bieden daarmee een potentialiteit die het ego te boven gaat (Reggio, 2013). In Visitors wordt het Ego, een ego, en de ander, een Ander; het onbehagelijke gevoel dat veel kijkers beschrijven na het zien van de film, is simpelweg het resultaat van het waarnemen van de Ander; hiervoor dient het ego omhoog te kijken, waardoor het zelf klein wordt. Je begrijpt als kijker dat de Ander zo groot is, en zoveel omvat, dat het voor het ego niet mogelijk is om hier grip op te krijgen: dat is precies wat Levinas bedoeld met de oneindigheid van de Ander. De Ander doet in Visitors een beroep op het ego en beperkt zijn vrijheid; en vergroot daarmee zijn gevoel voor verantwoordelijkheid: de Ander is er een ‘ding op zichzelf’, en vanaf nu zullen wij hem als zodanig poneren.
Oneindigheid in het Spel
In het spel vervaagt de grens tussen het ego en de Ander; het spel ontstaat uit vrijheid – de deelnemer neemt namelijk vrijwillig deel aan het spel, maar is tegelijkertijd een beknotting van vrijheid ten behoeve van het spel. Je dient je als deelnemer namelijk te houden aan de regels van het spel, wat tevens een verantwoordelijkheid richting de Ander veronderstelt. Je kunt niet deelnemen aan het spel zonder mee te spelen, en omdat de deelnemer zich mee moet laten voeren door de regels van het spel en de input van andere deelnemers, is deelnemen aan het spel niet alleen ‘spelen’, maar ook een ‘gespeeld worden’.

In dit kader wordt duidelijk dat deelnemen aan het spel een overgave van het ego betreft: je kunt namelijk onmogelijk heer en meester zijn over het spel – als deelnemer speel je het spel, maar het spel speelt ook met zijn deelnemers; het maakt het ego tot iets anders, en onttroont hem hiermee. Volgens Huizinga (1998) zorgt het spel niet alleen voor genot, maar laat het zich ook kenmerken door zogenoemde heilige ernst: het spel brengt ons nader tot elkaar, zorgt hiermee voor gemeenschap en saamhorigheid, en lijkt daarmee een middel tot verbinding met de Ander. Ik zou hieraan toe willen voegen dat het tegelijkertijd zorgt voor een verrijking van het ego, die in het spel recht doet aan de oneindigheid van de Ander; dit kan het best onder woorden worden gebracht door expliciet te refereren aan mijn praktijkervaring bij de QfWf: deze ervaring dient dus niet alleen als case study van de manier waarop de Ander als oneindig ontstaat in het spel, maar heeft ook inhoudelijk een onmisbare bijdrage geleverd aan mijn inzichten.
Grenzeloze Begrenzing van de Dialoog
Ik ben er tijdens mijn stageperiode bij de QfWf achter gekomen op welke manier het spel kan dienen als middel tot zowel verbinding als verrijking, en wat dit concreet betekent voor de deelnemers, wat direct raakt aan mijn onderzoeksvraag. Bij de QfWf staat met name de dialoog in spelvorm centraal: aan de hand van verschillende mythen, verhalen, en (filosofische) spreuken worden de deelnemers op de proef gesteld; door middel van duiding en associatie aan eigen gedachten worden de beelden en teksten eigen gemaakt, en verbonden met een gekozen thema en/of vraagstelling. In verschillende ronden wordt er vervolgens over de duiding en associatie gesproken; eerst vanuit de deelnemer zelf (monologisch), en daarna meer dialogisch met de andere deelnemers – op deze manier komt steeds opnieuw naar voren dat hoewel het vaak een persoonlijk thema betreft, de duiding en associatie van de andere deelnemers bij kunnen dragen aan de wijze waarop de deelnemer duidt en associeert.
In de eerste plaats lijkt het wellicht alsof de deelnemer de andere deelnemers niet nodig heeft om zijn eigen thema te ontdekken aan de hand van de beelden en teksten die het spel aanreikt, maar tijdens het spelen wordt duidelijk dat de andere deelnemers het proces van de deelnemer kunnen verrijken. In tegenstelling tot waar, bijvoorbeeld, de psychoanalyse zich schuldig aan maakt – het beperken van de ander door het onbewuste proberen te vatten in termen van een gekozen grond – doet het spel, in ieder geval bij de QfWf, het tegenovergestelde: het maakt van de Ander een oneindig veld van mogelijkheden, wat de analyse van het ego op zijn eigen duiding en associatie, in positieve zin verandert.

Met andere woorden: het dialogische element van het spel, zoals geïncorporeerd in de verschillende spelvormen van de QfWf, versterkt ook de monoloog van de deelnemer; het rekt de grenzen van het ego op door de blootstelling aan de oneindigheid van de Ander. Je kunt, zodoende, stellen dat het begrenzen van het ego – wat het resultaat is van de regels van het spel en de andere deelnemers – juist een verrijking van het ego tot gevolg heeft. Dit is tevens niet het resultaat van het spel an sich, maar een concrete manifestatie van de manier waarop de QfWf haar spelvormen inricht: het is een dialogisch samenspel, en bij uitstek geen competitie, zoals wij die in de moderne maatschappij doorgaans gewend zijn. In het spel is de Ander geen spiegel voor het ego, maar fungeert hij eerder als een belvédère, een uitzicht, en bovenal een onbekend uitzicht. In de Ander ligt voor het ego een waarheid besloten die hij niet op zichzelf kan (leren) kennen; hij heeft de Ander in zijn radicale andersheid nodig om nader tot zichzelf te komen.
Bauman, Z. (2013). Liquid Love: On the Frailty of Human Bonds. John Wiley & Sons.
Deleuze, G., & Guattari, F. (2013). Anti-Oedipus: Capitalism and Schizophrenia.
Descartes, R. (2017). Descartes: Meditations on First Philosophy: With Selections from the Objections and Replies. Cambridge University Press.
Huizinga, J. (1998). Homo Ludens. Taylor & Francis.
Lasch, C. (2024). De cultuur van het narcisme: Leven in een tijd van afnemende verwachtingen. Singel Uitgeverijen.
Levinas, E. (2018). Totaliteit en Oneindigheid: essay over de exterioriteit.
Marin, P. (1975). The New Narcissism. Harper’s Magazine.
Ricoeur, P. (1976). Interpretation theory: Discourse and the Surplus of Meaning. TCU Press.