Daan Roza
Deel 1: Spel als Herwaardering van de Ander
Stage-onderzoek naar het Spel als Filosofisch Middel
Deel 1 – deel 2 – deel 3 – deel 4
Spel als Middel tot Verbinding en Verrijking
Ik ben tijdens mijn stageperiode bij de Quest for Wisdom Foundation (QfWf) steeds meer geïnteresseerd geraakt in de relatie tussen het ego en de ander, en de manier waarop het ego bij kan dragen aan een verrijking bij de ander. En vice versa; wat is er concreet voor nodig om in egoïstische tijden, welke het resultaat lijken te zijn van een egologische filosofie, een daaruit voortvloeiende psyche-georiënteerde psychologie, en de door het (neo)liberalisme geconstitueerde homo economicus, de juiste houding en condities te verwezenlijken die bijdragen aan een vernieuwde relatie tussen het ego en de ander, en wat kan dit – voor zowel als het ego als de ander – opleveren?

Bij de QfWf staat het spel centraal als middel om zowel mensen met elkaar te verbinden, als om mensen meer met zichzelf te laten verbinden, ten behoeve van een open pluriforme wereldsamenleving door de verbinding van hun culturele achtergronden. Door zelf actief deel te nemen aan de verschillende spelvormen van de stichting is mijn belangstelling voor het onderwerp alsmaar toegenomen, wat uiteindelijk heeft geleid tot de volgende onderzoeksvraag: “op welke manier kan het spel bijdragen aan een herwaardering van de ander?” Ik zal voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag enerzijds een beroep doen op literatuuronderzoek, en anderzijds appelleren aan mijn praktijkervaring bij de QfWf, welke niet alleen waardevol is geweest voor het tot stand brengen van mijn onderzoeksvraag, maar mij ook heeft voorzien van een eerstepersoonservaring met het spel als middel tot verbinding en verrijking.
In het eerste deel van het onderzoeksverslag staat voornamelijk het literatuuronderzoek centraal, waarin duidelijk wordt hoe er doorgaans over de relatie tussen het ego en de ander gedacht wordt, en hoe wij over de relatie tussen het ego en de ander zouden moeten denken. Dit dient vervolgens als uitgangspunt voor een analyse van het spel als manier om de vernieuwde relatie tussen het ego en de ander praktisch tot stand te brengen. In het tweede deel van het onderzoeksverslag staat deze analyse centraal: wat zijn mijn eigen bevindingen op basis van de praktijkervaring bij de QfWf, en wat zijn voorwaarden voor concrete mogelijkheden om de vernieuwde relatie tussen het ego en de ander verder te versterken? In de conclusie wordt de balans opgemaakt, wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvraag, en wordt duidelijk wat het ego voor de ander kan betekenen, en vice versa, welke rol het spel hierin kan hebben, toegespitst op de QfWf.
Filosofie als Egologie; Leven als Ego
In het eerste deel van Totalité et Infini noemt Levinas de filosofie, een egologie: “de relatie met het andere wordt er slechts tot stand gebracht via een derde term die ik in mijzelf vind.” Volgens Levinas heeft de filosofie zich schuldig gemaakt – en maakt zij zich nog altijd schuldig – aan het reduceren van het andere tot het zelfde, van het oneindige tot het totale, waarmee hij onder andere bedoeld dat er tussen het zelfde, ook wel het ego, en de ander nooit een authentieke relatie heeft kunnen bestaan. Dit, omdat de relatie tussen het ego en de ander altijd via het eigen kenvermogen geconstitueerd werd, als bereken- en voorspelbaar.
Dat maakt dat de filosofie, zowel voor als na het verschijnen van Totalité et Infini, per definitie een egoïstisch karakter heeft (gehad): het ego is sinds Descartes, maar eigenlijk al sinds Socrates, expliciet zowel het vertrek- als eindpunt van kennis geweest; en al het andere is op deze manier door het ego, als het ware, opgeslokt, waardoor ook de ander ondergeschikt is geworden aan zijn totaliteit (Levinas, 2018). In een cartesiaans perspectief wordt dan ook duidelijk dat de ander niet het eigen kenvermogen te boven gaat, maar volledig gevat moet – en kan! – worden binnen de kaders van het ego. In de woorden van Levinas, opnieuw in Totalité et Infini: “voor de filosofische traditie worden de conflicten tussen het zelfde en het andere opgelost door de theorie waarin het andere herleid wordt tot het zelfde.”

Je kunt op basis hiervan stellen dat de relatie tussen het ego en de ander niet neutraal is, maar een reductie veronderstelt, welke niet alleen leidt tot een minachting van de ander an sich, maar ook de waarde van het ego voor de ander, en vice versa, in diskrediet brengt: het ego is zowel voor- als achtergrond, wat niet alleen een filosofisch-psychologische kwestie betreft, maar via verschillende disciplines wijdverspreid is in de moderne maatschappij. Je ziet de obsessie met het ego terug in het dagelijks leven: de (laat)kapitalistische samenleving lijkt doordrenkt van zelfverzekerheid, zelfstandigheid, en zelfontwikkeling, wat een door en door egoïstisch karakter blootlegt, maar ook, aldus Lasch in The Culture of Narcissism, laat het zien dat de moderne mens een narcistisch karakter heeft gekregen, die uit onzekerheid over hoe te leven, naar binnen lijkt gekeerd – een tendens die ook al zichtbaar was tijdens de opkomst van, bijvoorbeeld, de freudiaanse- en jungiaanse psychoanalyse (Lasch, 2024). Lasch toont aan dat hoewel de moderne mens als narcist denkt almachtig te zijn, hij dit nooit echt is: hij is van anderen afhankelijk voor de bekrachtiging van zijn gevoel voor eigenwaarde; de ander blijft dus noodzakelijk, echter niet als oneindig, maar als totaal – als onlosmakelijk verbonden met het ego, en nog preciezer: in dienst van het ego.
In de woorden van Marin (1975) in The New Narcissism, waar ook Lasch naar refereert: “het wereldbeeld dat onder ons ontstaat, is uitsluitend gericht op het zelf, met individuele overleving als enig doel.” Je kunt daarom stellen dat de moderne maatschappij niet alleen egoïstisch, maar volgens bovengenoemde auteurs ook narcistisch is: een egoïst trekt tussen zichzelf en de ander nog een grens, maar een narcist heeft überhaupt niet door dat er een grens bestaat, waardoor hij de buitenwereld – en daarmee de ander – ziet als slechts een weerspiegeling van het ego, waar hij zelf boven staat, wat volledig in lijn is met het cartesiaans subject.
In een (laat)kapitalistische samenleving worden, zodoende, niet alleen objecten, maar ook anderen, als het ware, geconsumeerd: volgens Bauman (2013) zijn onze relaties met anderen tegenwoordig onzeker, vluchtig, en flexibel; we gaan ze enkel en alleen aan zolang ze ons voorzien van bevrediging, plezier, en/of nut; het andere moet onderdeel worden van het zelfde. In de moderne maatschappij, en zelfs nog in de filosofie, lijkt het daarom soms vrijwel ondenkbaar om te erkennen dat de waarde van de ander gelegen is in zijn fundamentele onkenbaarheid; juist omdat de ander als enige aan het ego verschijnt en alsnog aan hem ontsnapt, is er sprake van oneindigheid, mits de houding en condities niet egoïstisch en instrumenteel – zoals hierboven beschreven – maar onbaatzuchtig en oprecht waarderend zijn. In dit kader lijkt het onderzoeksverslag dan ook te leiden tot een anti-filosofische conclusie: de begeerte naar wijsheid zal plaats moeten maken voor het niet-weten, en precies daar ligt nu juist, wat mij betreft, de waarheid als het gaat om de relatie tussen het ego en de ander, welke bevorderd kan worden middels het spel.
Noten
[1] Bron uit het Publieke Domein van een olieverf schilderij uit 1597-1599 over Narcissus van Michelangelo Caravaggio – (1571–1610), Galleria Nazionale d’Arte Antica in Palazzo Barberini and Palazzo Corsini in Rome, Italy.
Bauman, Z. (2013). Liquid Love: On the Frailty of Human Bonds. John Wiley & Sons.
Deleuze, G., & Guattari, F. (2013). Anti-Oedipus: Capitalism and Schizophrenia.
Descartes, R. (2017). Descartes: Meditations on First Philosophy: With Selections from the Objections and Replies. Cambridge University Press.
Huizinga, J. (1998). Homo Ludens. Taylor & Francis.
Lasch, C. (2024). De cultuur van het narcisme: Leven in een tijd van afnemende verwachtingen. Singel Uitgeverijen.
Levinas, E. (2018). Totaliteit en Oneindigheid: essay over de exterioriteit.
Marin, P. (1975). The New Narcissism. Harper’s Magazine.
Ricoeur, P. (1976). Interpretation theory: Discourse and the Surplus of Meaning. TCU Press.