Vriendschap in een potje

0

Karin Glaubitz

Uit het Narrenschip 13 oktober 2018
Vriendschap in een potje — door Elbert Raadsen

Met mijn 5 groepen 1 en 2 denken we na over vriendschap. Over verbinding maken, vrijwilligheid, afdwingen, wederkerigheid en de fysieke aspecten van vriendschap.”

Ik begin met het verhaal van wasbeer en otter die vrienden zijn. Dan vindt de otter een rups in het water. De otter redt de rups, gooit de knikkers uit het potjes van de wasbeer en stopt de rups in het potje.
Otter roep “ik heb een nieuwe vriend” met heel veel vragen en wachten en aandacht raken mijn kleuters aan de praat: Het is een lang verhaal! Je kan hier heel goed het denkproces van hen volgen wat ze met elkaar doorworstelen.

Hoe is die vriend met deze?

“Blij.”

Hoe kun je zien dat ze vrienden zijn?

“Omdat ze lachen.”

Hoe weet je dat ze vrienden zijn?

“Ze lachen en ze spelen.”

“Ze gaan samen spelen buiten spelen en samen werken. En dan gaan ze samen slapen. Dan gaan ze samen handen wassen, en samen met andere beste vrienden spelen.”

“De otter raapt een rups uit het water en stopt hem in een glazen potje.”

Is dat ook een vriend?

“Hij was alleen bij het water en toen kregen ze een beste vriendje.”

Waarom is die boos?

“Omdat, omdat, omdat hij zijn knikkers niet wil kwijt raken.”

Hoe zit het nou?

“Hij heeft een nieuwe vriend.
Maar dit is wel een vriend. Hij wil niet meer met hem spelen.”

Waarom is de wasbeer boos?

“Hij wilde niet dat de knikkers allemaal op de grond liggen.”

Hoe komen de knikkers op de grond?

“Door de otter, omdat de otter een andere vriend heeft; de wasbeer is boos”

Waarom heeft hij de knikkers eruit gegooid?

“Voor de nieuwe vriend.”

“Rups en otter zijn geen vrienden, maar de otter vindt van wel.”

Waarom zijn ze vrienden?

“Omdat hij hem in het potje heeft gedaan.”

Waarom?

“Omdat hij nat was.”

“…? nee, omdat de moeder dan boos wordt, die vindt dat niet leuk, dan krijgt hij geen eten.”

“Dan kan hij nooit meer blaadjes eten.”

Vindt hij (de rups) het leuk?

Nee, omdat hij niet, want wil de vriend. De rups vindt het niet leuk in het potje, want dan gaat hij dood”

Wat denk je dat hij zegt?

(Ik houd het potje met de rups bij mijn oor.)

“Ik wil, ik wil naar mijn eigen, ik wil gewoon lekker zwemmen.”

Wat zegt hij?

“Ik wil naar mijn eigen familie.”

Wat zegt de rups?

“Hij wil andere vriend hebben en heel veel vrienden hebben.”

Kan een vriend in een potje?

“Een vriend kan ook samen slapen bij het bed.”

Waarom kan die niet in het potje?

“Dan heeft hij heel warm.”

Kan die vrienden worden met de otter?

“Nee, omdat hij een deksel heeft.”

Zo dan (deksel van potje)?

“Nee, hij moet eruit.”

Waarom kan een vriend niet in een potje?

“Hij kan niet met hem spelen.”

Zijn ze zo vrienden?

“Hij wil naar zijn familie.”

Zijn ze allebei vrienden?

“Nee, omdat de otter van wel vindt, maar de worm niet.
Hij wil niet naar de potje, maar altijd droog zijn.”

Zijn ze vrienden?

Nee, want die is boos op hem.
Als je iets expres doet wat de ander niet leuk vindt, dan ben je geen vrienden meer. Als je het per ongeluk doet wat de ander niet leuk vindt dan ben je nog wel vrienden”

“De rups heeft geen vrienden nodig, hij wil in het zonnetje wonen”

Is het gezellig in het potje?

“Nee.”

Hoe kunnen we het gezellig maken?

“Met heel veel knikkers doen.”

Is de rups nou blij?

“Ja.”

Waarom?

“Omdat hij heb die knikkers bij het water ? en toen was (?) niet blij, en ging hij naar andere vriendjes. Hij was ook een beste vriend zijn, maar toen ging hij die knikkers bij de water gooien.
En toen ging hij de andere en mama zoeken.”

Gaat het goed met de rups?

“De rups wil naar zijn mama.”

Wat moeten we doen met de rups?

“De rups eruit doen, en dan gaat ze naar de moeder.”

Kunnen ze nu vrienden zijn?

“Ja, omdat hij gaat slapen.”

Wie weet er wat er met rupsjes gebeurt?

“En toen ging hij hem redden.”

“Wat was het? Een vlinder.
Maar de vlinder? Kan vliegen.”

Kunnen ze dan vrienden zijn?

“Nee.”

“Ja.”

“Je kan geen vrienden zijn als één het niet leuk vindt”

Hoe dan?

“De vlinder gaat eh, die gaat vliegen en ze zijn vrienden.”

Hoe kan het?

“Hij vindt het leuk dat de rups een vlinder is geworden.”

Met dank aan Sem Zijta en Natasja van der Pluijm voor de transcriptie.

Karin Glaubitz

Momenteel werk ik als trainer en docent filosofie. Ik geef filosofielessen aan kinderen, verzorg onderzoeksbijeenkomsten voor bedrijven en instellingen en werk aan de ontwikkeling van het filosofieonderwijs op basisscholen. Ik ben CoPI-gecertificeerd filosofisch gespreksleider. In mijn leven wisselden denk- en doewerk elkaar veelvuldig af, steeds op zoek naar de wisselwerking tussen die twee.

Reageren gesloten.