Ook Creolen spreken proza

0

Fred de Haas

Meneer Jourdain spreekt ook proza. Over ‘Creools’ als product van de slavenhandel, over verguizing en erkenning, over een Franse abbé die de ‘negers’ van hun taal wilde bevrijden, over koeterwaals, over de kracht van het taalvermogen, over spelling en gekissebis op de (voormalige) Nederlandse Antillen

De weinig verlichte opvattingen van gezaghebbende lieden uit vroeger tijden met betrekking tot de op de ABC eilanden gesproken Creoolse taal, het Papiaments, hebben niet nagelaten hun donkere schaduw vooruit te werpen tot ver in de 20e eeuw en kans gezien om nog in het eerste decennium van de 21e eeuw de geest te verduisteren van menig verstandig mens.

Velen weten vaak niet wat ze aan moeten met begrippen als “Creools”, “taal”, “patois”, “Creoolse spelling”, “uniformiteit”, “taal en politiek”.

Dit artikel wil proberen deze blinde begrippenkaart van een passende invulling te voorzien, waarbij we ook voorbeelden zullen ontlenen aan de geschiedenis van het Kreyòl van de Franse Caraïbische eilanden, een verhaal dat veel overeenkomsten vertoont met dat van Aruba, Curaçao en Bonaire.

Mijnheer Jourdain uit ‘Le Bourgeois Gentilhomme’

Le Bourgeois Gentilhomme (1688)[1]

Wij beginnen met u voor te stellen aan de heer Jourdain, een eenvoudige Franse koopman uit de 17e eeuw die de ontdekking van zijn leven doet.

In het zeventiende-eeuwse blijspel “De Burger-Edelman” van de Franse schrijver Molière komt de volgende dialoog voor tussen de heer Jourdain, een onontwikkelde, rijk geworden koopman, en een van de leraren die hij in dienst heeft genomen om de ontbrekende hiaten in zijn kennis en vaardigheden op te vullen.

De situatie is als volgt: Jourdain, de koopman, wil een galant briefje bezorgen bij een dame en vraagt de leraar hem hierbij te helpen. De leraar is hiertoe gaarne bereid.

Leraar

Uitstekend!

Jourdain

Dat zou toch galant zijn?.

Leraar

Ongetwijfeld. Wilt u het in verzen schrijven?

Jourdain

Nee, nee. Geen verzen.

Leraar

Wilt u alleen maar proza?

Jourdain

Nee, ik wil geen proza en ook geen verzen.

Leraar

Maar het is òf het een òf het ander.

Jourdain

Waarom?

Leraar

Omdat, meneer, men zich alleen maar kan uitdrukken in proza of in verzen. […]

Jourdain

En de manier waarop ik praat, wat is dát dan?

Leraar

Proza.

Jourdain

Hè? Als ik zeg: “Nicole, breng mijn pantoffels eens hier en geef me mijn slaapmuts”, is dát dan proza?

Leraar

Ja, meneer.

Jourdain

Nee maar! Ik spreek dus al meer dan veertig jaar proza, zonder dat ik het in de gaten heb! Ik ben u zéér dankbaar dat u me dat heeft bijgebracht!

Aan bovenstaande scène moest ik denken toen iemand tegen me zei dat hij had ontdekt dat zijn moedertaal, het Papiaments, van ándere talen afkomstig was.

Een eigentijdse meneer Jourdain!

De schok

Bij een andere gelegenheid, tijdens een bijeenkomst op het Antillenhuis in Den Haag, kwam er een statige, oudere man op me af die, onbedoeld, mede de aanleiding zou worden voor het schrijven van deze beschouwing.
De man, een blanke Curaçaoenaar, keek me meewarig aan en zei:

“Ach, meneer, dat Papiaments is toch zeker geen échte taal! Patois, dát is ‘t”!

Hij keek me aan met een blik waarin stond te lezen:

“Dat vind je toch zèlf óók”!

Ik voelde me ongemakkelijk worden onder zijn samenzweerderige blik. Daarbij kwam nog dat de omgeving niet bepaald geschikt was om een taalkundige verhandeling te houden.

“Ze noemen het toch niet voor niks Creools”?

voegde hij er nog aan toe.

“Ik leg het u nog wel eens uit”,

beloofde ik.

“D’r zijn geeneens vervoegingen in die taal”,

drong de man nog aan en slofte, ontevreden over mijn niet coöperatieve houding, weer weg.

Een ogenblik later stond ik te praten met iemand die me vroeg of ik het óók zo idioot vond dat er twee spellingen voor het Papiaments waren voor een jargon van ± tweehonderdvijftigduizend mensen.

Ik kreeg die dag de laatste verrassing in de vorm van een emailbericht van de correspondent van Associated Press op de Antillen:

“On Tuesday, the last day of her visit, the queen observed the casting of the first coin to be printed in the local dialect of Papiamento ― a Creole tongue with vocabulary drawn from Spanish, Portuguese and English ― at the Central Bank of Aruba”.

Het Papiaments werd hier gelijkgesteld met een dialect.

De tentoongespreide onwetendheid van al die ― lang niet domme ― mensen liet mij niet los en ik besloot een poging te doen om “in gewoon proza” in te gaan op de taal- en cultuurvragen die al die lieden kennelijk dwars zaten. Dat had ik de statige man immers beloofd.

Om de vragen in een wat breder kader te plaatsen leek het mij zinvol een parallel te trekken met de sociale en taalkundige problemen rondom een andere, veel gesproken Creoolse taal: het Kreyòl van de Franse Caraïbische eilanden, in het bijzonder van Martinique. De vergelijking met het Papiaments zou zich dan vanzelf bij de lezer opdringen.

Laat ik beginnen met u op de hoogte te stellen van een paar historische Franse opvattingen over het Creools van Martinique (Kreyòl Matnik) die naadloos aansluiten bij de ideeën van hen die zich tot op de dag van vandaag verzetten tegen het serieus nemen van een Creoolse taal.

Abbé Grégoire

l’abbé Grégoire (1750-1831)[2]

Abbé Grégoire was, ten tijde van de Franse Revolutie (1789) een van de grootste voorstanders van de afschaffing van de slavernij en tegelijkertijd een van de grootste tegenstanders van het gebruik van niet-Franse talen (zoals het Bretons, Baskisch, Catalaans en Occitaans) op Franse bodem.
Die niet-Franse talen noemde hij voor het gemak maar allemaal “Patois”. Ook het Creools van de Cariben viel daaronder.

Patois

Hij was niet de uitvinder van die term. Het woord “patois” wordt al in de 13e eeuw aangetroffen. Het betekent zoiets als “boers taalgebruik” en slaat op de taal die door onontwikkelde mensen op het platteland wordt gesproken.
Het woord is samengesteld uit het gallo-romeinse “Patt” dat “Poot” betekent plus het achtervoegsel –ois. In het algemeen duidt de term “patois” incorrect taalgebruik aan.

De Franse abbé wilde de slaaf vrij maken door hem o.a. te bevrijden van zijn ― Creoolse ― taal. Hij richtte zich als volgt ― schrik niet! ― tot de Franse autoriteiten (zie: De Certeau, Une politique de la langue, Gallimard, 1975, p. 302):

“Enfin, les nègres de nos colonies, dont vous avez fait des hommes, ont une espèce d’idiome pauvre comme celui des Hottentots, comme la langue franque, qui, dans tous les verbes, ne connaît guère que l’infinitif”.
“Tenslotte hebben de negers in onze koloniën, van wie u mensen hebt gemaakt, als algemene omgangstaal een soort armzalig Hottentottentaaltje dat bij alle werkwoorden nauwelijks meer dan het hele (lees: niet vervoegde) werkwoord kent”.

Hottentottentaaltje! Negers zijn óók mensen! Welkom bij de Franse voorvaderen!
(De ironie van het verhaal wil dat in het Creools van Haïti het woord voor “mens” “nèg” is)! Dus afgeleid van ‘nègre!’

Schaamte

Met de opvatting van de Franse abbé in gedachten, begrijpen we dat, sinds die tijd, de schaamte voor het inheemse Creools diep wortel heeft geschoten bij de sprekers van die taal en dat het eeuwen heeft geduurd voordat men het Creools naast het officiële Frans zelfs maar ging dulden. Nog in 1979 zei de Franse minister Beullac tijdens een persconferentie het volgende (Weekblad Information Caraïbe, Pointe-à-Pitre, 1974):  

“[…] Il faut que chacun connaisse ses racines, que les Antillais soient fiers de leur origine antillaise, mais perdre son énergie à acquérir ces notions alors qu’il y en a tant d’autres à acquérir pourrait paraître une erreur grave […]”.
Iedereen moet zijn wortels kennen, Antillianen moeten trots zijn op hun Antilliaanse afkomst, maar je energie verspillen aan het leren van dat soort zaken (lees: Creools), terwijl er nog zoveel andere zaken te leren zijn, zou wel eens een ernstige vergissing kunnen blijken.

Je hoort het arrogante Franse toontje …

Pas onder de socialistische regering van Mitterrand begon men ― nog altijd onder voorbehoud ― meer begrip te krijgen voor het eigene van de Creolen en hun taal.
De uit Frankrijk afkomstige leraren mochten zich de grondbeginselen van het Creools eigen maken “pour combattre les créolismes des élèves” (om de Creolismen van de leerlingen te bestrijden). A bon entendeur salut! Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig.

Parallellen

Parallellen met de ABC eilanden zijn er in overvloed. In 19e eeuwse geschriften vinden we karakteriseringen van het Papiaments als “bedorven Spaans, Indiaansch en Hollandsch, arm in woorden, zonder buiging, voeging of geslacht onderscheiden, maar rijk in hevig door de keel uitgesproken wordende schelle klanken en vooral in scheldwoorden” (van Paddenburgh, 1819), “eene hoogst armoedige taal” (Bosch, 1829), “patois des lands (Jesurun, 1897), “patois van het Spaansch met allerlei bijmengsels” (Kraus, 1915),een “Creolentaal” (Lichtveld, 1955).

Dat zijn zo een paar bronnen die de toen heersende opvattingen illustreren. Het ironische is echter dat ze nog steeds hun uitwerking doen voelen, ondanks mensen als Brusse, Hamelberg en Chumaceiro die, aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw, de stiefmoederlijke behandeling van het Papiaments als groot probleem onderkenden en hierover hun mening duidelijk verkondigden. Ook het Rapport van de Commissie onder voorzitterschap van de la Try Ellis uit 1945 had een dramatische ommekeer ten gunste van de Antilliaanse psyche kunnen bewerkstelligen als men maar had willen luisteren.

Enquêtes

Gevecht tussen de Franse en Engelse vloot bij Martinique (1779)[3]

Logisch dat ook op de Franse eilanden deze neerbuigende houding veel onzekerheid teweegbracht! Hoe lang deze onzekerheid doorwerkte in de geest van de mensen blijkt uit het resultaat van een reeds in 1970 begonnen wetenschappelijk onderzoek (Georg Kremnitz, Français et Créole, Hamburg, 1983) waarin men o.a. aan de onderwijzers van Martinique vroeg om een definitie te geven van hun eigen, Creoolse taal.
Deze kwamen toen met antwoorden als: “idiome (= streektaal)”, “dialecte (= streektaal, tongval)”, “langage (= spreektaal)”, “moyen de communication (= communicatiemiddel)”, “français déformé (misvormd Frans)”, “mélange (= mengelmoes)” enz.

Ook volgens een op Curaçao gehouden enquête uit 1973 vond 36% van 30 ondervraagde kleuterleidsters (bijna allemaal native speakers!) dat het Papiaments geen echte taal was vanwege het ― toen nog ― onbreken van een officiële grammatica en 56% van hen vond dat het Papiaments geen echte taal was vanwege het ― toen nog ― ontbreken van een officiële spelling. Zo’n 23% vond dat het Papiaments ― in de woorden van de vraagstelling ― “door zijn beperkte reikwijdte de geestelijke ontwikkeling van het kind remt”.

Gelukkig onderschreef slechts 7% van 27 ondervraagde leerkrachten (ook native speakers) van de basisschool dit standpunt.

Er kwam een scheiding der geesten. Net als op de ABC eilanden kon je op de Franse eilanden twee groepen ― verbonden door een grijs, besluiteloos gebied ― onderscheiden.
De grote groep van mensen die ― behalve in intieme kring ― tegen het gebruik van de inheemse taal waren, omdat deze teveel aan slavernij en armoede deed denken en de sociale vooruitgang in de weg stond en de groep van degenen die het Creools in allerlei situaties wèl wilden toepassen.
Tot deze groep behoorden natuurlijk ook de Creoolse schrijvers die, net als Luis Daal, Pierre Lauffer en Elis Juliana op de ABC eilanden, óók in het Creools schreven.

Het tot diep in de 20e eeuw uitsluiten van de Creoolse moedertaal in het onderwijs, een consequentie van hardnekkig onbegrip, is desastreus geweest voor de harmonische ontwikkeling van de Antilliaan. Daarvan zijn nu de gevolgen nog steeds pijnlijk voelbaar.

Elke Creoolse taal heeft zijn eigen geschiedenis

Het Franse Creools heeft een veel minder ingewikkelde geschiedenis dan het Creools van de ABC eilanden. Het Creools van de Franse Antillen is ontstaan uit de streektalen die in het Noordwesten van Frankrijk werden gesproken (Normandië, Saintonge, Poitou, Picardië).
We moeten voor ogen houden dat het Frans zoals we dit vandaag kennen voornamelijk in de streek rond Parijs werd gesproken en dat aan het eind van de 18e eeuw slechts 1/3 van de Fransen het moderne Frans sprak.

Opschrift in het Papiaments “M.R.Jan verzoekt u om hier niet op zondag noch door de week naar binnen te gaan zonder me te waarschuwen voor het hek. Alstublieft. Verder niets” ― foto Fred de Haas

Er is dus vanaf het begin van de 17e eeuw op de Franse Caraïbische eilanden sprake geweest van een mengeling van Franse streektalen, waaruit zich, in een tijdsbestek van ongeveer 50 jaar (!), het Creools heeft ontwikkeld.

Men noemde deze Franse Creoolse taal in die tijd “Baragouin” (afgeleid van het Bretonse ‘bara’ = brood en ‘Gwin’= wijn). Een brood-en-wijntaaltje dus. Primitief.
In het moderne Frans betekent “baragouin” nog steeds “koeterwaals” en het woord voor “brabbelen” is “baragouiner”. Het is dus een beetje te vergelijken met de oorspronkelijke betekenis van de term “papiaments” (= gepraat).
Echter, “Baragouin” is vervangen door “Kreyòl” en de aanduiding “Papiamentu” of ‘Papiamento’ is gebleven. Overigens is het Nederlandse woord ‘bargoens’ afgeleid van de Franse term.

Net als het Papiaments staat dit Kreyòl in het hart van een cultuur die door alle inheemse lagen van de bevolking wordt gedeeld.

Helaas begonnen de ― rijk geworden ― blanken al vanaf het eind van de 17e eeuw die Creoolse taal en cultuur te verloochenen en te beschouwen als iets dat bij “Zwarten” hoorde. Deze negatieve houding werd in de 19e eeuw overgenomen door de ― gekleurde ― mulatten die alles wat echt Frans was gingen bewonderen en koesteren.
Ze wilden zoveel mogelijk op de blanken lijken en begonnen zelfs hun haar te ontkroezen. Op de ABC eilanden had je een soortgelijke ontwikkeling. Frantz Fanon, de psychiater uit Martinique, heeft dit sociale fenomeen goed beschreven in zijn vele malen uitgegeven boek Peau noire, masques blancs (= zwarte huid, witte maskers), 1952, Paris, Seuil.

“Creools”: waar komt die term vandaan?

Alle taalkundigen zijn het erover eens dat het woord “Creool” te maken heeft met het Latijnse werkwoord “creare” of “criare” (= scheppen).
“Creare / Criare” komt zeer waarschijnlijk van het Griekse “Cherao” (= mengen, samenstellen uit verschillende elementen). In de Middeleeuwen en de 16e en 17e eeuw schreef men meer “criare” (met een ‘i’) dan “creare” (met een ‘e’).

In de Nuevo Diccionario Latino-Español Etimológico (D. R. de Miguel, Madrid, Sáenz de Jubera, 1879) vinden we twee interessante voorbeelden van het gebruik van dit werkwoord in de Romeinse tijd.

Publius Ovidius Naso (43-voj-18)[4]

De in Spanje geboren Latijnse schrijver L.A. Florus schrijft in de 1e eeuw: “Matre serva creatus” (= zoon van een slavin; letterlijk: uit een moederslavin geschapen / voortgekomen).
En Ovidius, Latijns schrijver ten tijde van keizer Augustus, schrijft: “Qua sitis stirpe creati”? (= uit welke familie bent u afkomstig?).

In het Middeleeuwse “Spaans” betekende “criare” ook: “een vreemd kind in zijn huis (op)voeden” (Léxico hispánico primitivo, siglos VIII al XII, Fundación Menéndez Pidal, Editorial Espasa-Calpe, S.A., 2003).

Het Spaanse woord “criollo” komt, ook in andere vormen, voor aan het eind van de 16e eeuw. Men neemt aan dat het Franse woord “créole” afgeleid is van een vroege Spaanse vorm (zie: Dictionnaire historique de la langue française, Le Robert, Paris, 1992) en dat de Spaanse vorm weer is afgeleid van het Portugese “crioulo”. Het is mogelijk dat het woord “crioulo” afgeleid is van de Latijnse werkwoordsvorm “creaturus” (= zullende geschapen worden) > creaturu> creaouro> criouru> crioulo (Dicionário Houaiss da lingua portuguêsa).

Later is de term “Creools” alles gaan aanduiden wat in de oude koloniën voorhanden was aan mensen, planten,dieren en dingen: música criolla, bolas criollas (een soort jeu de boules), riz créole (creoolse rijst met tomaten en paprika), tabaco crioulo (inheemse tabak), etc.

De aanduiding “Creools” is op zichzelf dus neutraal.

Het ontstaan van Creoolse talen

Zoals boven reeds aangegeven werden de Creoolse talen in de 19e eeuw vaak gezien als verbasteringen van “echte” talen ( bedoeld worden dan het Spaans, Frans, Portugees etc). Victor Hugo spreekt in zijn Bug-Jargal (1826) van “jargon” en “patois créole”.

Pas in de 20e eeuw zijn de Creoolse talen erkend als “echte talen” op grond van het feit dat ze worden doorgegeven van generatie op generatie als moedertalen die een vaste structuur hebben.

Omdat de Creoolse talen ― in vergelijking met de oudere talen ― nog pas betrekkelijk kort geleden zijn ontstaan, zijn ze, meer nog dan de gevestigde talen, het levende bewijs van het aangeboren vermogen van de mens om taal te scheppen.
Ze zijn immers in een recordtijd “geschapen” uit het contact van twee of meer talen met een dominante, heden ten dage nog steeds levende taal, waarvan vooral de woordenschat ― en in zeer geringe mate de grammatica ― als basis diende[5].
We moeten niet vergeten dat de weg die het Latijn heeft afgelegd om “Portugees” of “Spaans” te worden een lange, heel wat rustiger weg is geweest dan bijvoorbeeld de weg van het Spaans c.q. Portugees naar het Papiaments, waardoor, in tegenstelling tot wat het geval was bij de Creoolse talen, het leeuwendeel van de woordenschat van het Latijn in het Portugees of Spaans kon worden opgenomen.

Roeien met de riemen die je hebt

Een Creoolse taal moest dus zo intelligent mogelijk gaan woekeren met de beperkte mogelijkheden die haar door de geschiedenis waren gegeven, een geschiedenis die het taalvermogen van de mensen uit die tijd onder grote druk moet hebben gezet.

De slimme, effectieve manier waarop het Creools dit heeft gedaan blijkt bijvoorbeeld uit de manier waarop in woordenboeken de begrippen uit een oude, gevestigde taal in een Creoolse taal kunnen worden omgezet. Een woordenboekmaker heeft de moeilijke opdracht om, bijvoorbeeld, een Nederlandse werkelijkheid om te zetten in de werkelijkheid van de ABC eilanden.
De mogelijkheden die de Nederlandse taal biedt moeten worden omgezet naar de mogelijkheden van de Creoolse taal. Soms kan dit door een “één op één” vertaling (vallen = kai, gaan = bai), soms door een omschrijving (gedachtegoed = manera di pensa = manier van denken) en een andere keer door te woekeren met combinaties van bestaande basiswerkwoorden (belanden / terechtkomen = bai kai).
Het is in dit verband alleszins begrijpelijk dat het woordenboek Nederlands-Papiaments wat dikker uitvalt dan het woordenboek Papiaments-Nederlands.

“D’r zijn geeneens vervoegingen”

Ik heb nog steeds geen antwoord gegeven op het verwijt van de ontevreden statige heer: “D’r zijn geeneens vervoegingen”. Hij bedoelde:

“Het is dus geen echte taal”.

Laten we om te beginnen ons bewust zijn van het feit dat “echte” talen als het Frans, Spaans, Portugees en Italiaans alle gecompliceerde vervoegingen van het Latijn hebben vereenvoudigd en dat in de Romaanse talen de Latijnse naamvallen zijn verdwenen en vervangen door voorzetsels en door handig gebruik te maken van een bepaalde woordvolgorde.
Ook de oorspronkelijke uitspraak van het Latijn is niet meer terug te vinden in het Frans, misschien nog een heel klein beetje in het Spaans, Portugees en Italiaans en zelfs dát weten we niet omdat we niet weten hoe het oorspronkelijke Latijn werd uitgesproken. Maar je hoeft alleen maar het Latijnse woord “Apicula” met het Franse “Abeille” of het Spaanse “Abeja” te vergelijken en je ziet onmiddellijk dat die woorden uit de mond van een Romein anders moeten hebben geklonken dan uit de mond van een moderne Fransman of Spanjaard.

Zoals de latere Fransen, Spanjaarden en Portugezen het Latijn hebben vereenvoudigd, zo hebben ook de Creolen de talen waaraan ze hun Creools hebben ontleend sterk versimpeld. En dat deden ze ― onbewust ― op uiterst vernuftige wijze.

Voorbeelden uit het Papiaments

We kunnen dit illustreren door te laten zien hoe de Tijden (tegenwoordige, verleden, voltooid verleden, toekomende,verleden toekomende tijd) in het Creools van de ABC eilanden gevormd zijn. We zetten er ter vergelijking de vormen bij van de “echte” taal Spaans en we nemen de eerste persoon enkelvoud en meervoud van de werkwoorden “comer” (Sp.) en “kome” (Pap.).

Spaans

Papiaments

Nederlands

(Yo) como

Mi ta kome

Ik eet

(Nosotros) comemos

nos ta kome

Wij eten

Comí / he comido

M’a kome

Ik heb gegeten

Comimos / hemos comido

nos a kome

Wij hebben gegeten

Comía / estaba comiendo

Mi tabata kome / Mi tabata komiendo

Ik at / ik zat te eten

Comíamos / estábamos comiendo

Nos tabata kome / Nos tabata komiendo

Wij aten / wij zaten te eten

Estoy comiendo

Mi ta kome / Mi ta komiendo

Ik zit te eten

Estamos comiendo

Nos ta kome / Nos ta komiendo

Wij zitten te eten

Comeré

Lo mi kome (mi lo kome)

Ik zal eten

Comeremos

Nos lo kome

Wij zullen eten

Yo estaba leyendo el periódico cuando él entró

Mi tabata lesa korant ora el a drenta

Ik zat de krant te lezen toen hij binnenkwam

Estará jugando fuera

Lo e ta hunga pafó

Hij zal wel buiten aan het spelen zijn

Habrá jugado fuera

Lo el a hunga pafó

Hij zal wel buiten gespeeld hebben

Si yo fuera más sabido no lo haría

Si lo mi tabata mas sabí, mi lo no a hasi’é

Als ik wijzer was zou ik het niet doen

Si yo hubiera sido más sabido no lo habría (hubiera) hecho

Si lo mi tabata mas sabí, mi lo no a hasi’é

Als ik wijzer zou zijn geweest zou ik het niet gedaan hebben

We zien dus dat het Creools op zeer doeltreffende wijze de vervoegingen van het Spaans heeft vervangen door gebruik te maken van andere mogelijkheden.

De woorden TA en TABATA, die respectievelijk de tegenwoordige en verleden tijd aanduiden, zijn eenvoudig afgeleid van het Spaans/Portugese ESTA(BA), waarbij TABA later nog eens werd benadrukt door de toevoeging van TA.

De voltooid verleden tijd is gevormd door gebruik te maken van de vorm van de derde persoon enkelvoud HA van het Iberische HABER (=hebben).

De toekomende tijd is gevormd in het Creools door gebruik te maken van het Portugese “lôgo” dat “zo meteen, straks” betekent, zoals in de uitdrukking “Até lôgo (= tot straks, te aworó).

N.B. De werkwoordsuitgang -IENDO in het Papiaments is duidelijk een latere toevoeging, een “cultismo”, een chic leenwoord.

Zo is het Creools erin geslaagd om met behulp van selecte taalmiddelen een geslaagde manier van communiceren tot stand te brengen die alle noodzakelijke gebieden van het leven kan bedienen. Ook ingewikkelde zinnen en teksten kunnen op die manier in het Papiaments worden geschreven en vertaald.

Taal en politiek

De geschiedenis leert ons dat een taal niet alleen taalkundig ― want dan is er geen emotioneel probleem ― maar ook politiek gedefinieerd wordt.

Een voorbeeld uit Europa mag dit verduidelijken.

Vroeger kon je het Servo-Kroatisch (dat zowel in Latijnse als Cyrillische letters geschreven kon worden) leren als zijnde dé taal van het voormalige Joegoslavië, maar sinds het uiteenvallen van Joegoslavië in verschillende deelrepublieken heeft men ineens “ontdekt” dat Kroatië en Servië elk hun eigen taal hebben, te weten Kroatisch en Servisch!
En dat terwijl er in taalkundig opzicht niets is veranderd!

Ik herinner me dat ik, als leider van de Internationale afdeling van een school, eens een woedende Kroaat op mijn spreekuur kreeg die vroeg hoe ik het in mijn hoofd haalde om een Servische lerares zijn kind Kroatisch te laten onderwijzen!

Hoe politiek kan interfereren met taal!

Vanuit politiek oogpunt werd ook het Franse Creools van Martinique beschouwd als een “patois”, omdat Frans nu eenmaal de officiële taal was. Uit taalkundig oogpunt, echter, was het gewoon een taal als iedere andere taal!

Een ander voorbeeld van de verwevenheid van politiek en taal is de spelling.

De spelling van het Creools

Een taal die niet kan worden geschreven heeft weinig overlevingskansen. De specifieke vraag die wij in dit artikel willen beantwoorden is: hoe geef je de klanken van een Creoolse taal op de beste manier weer?
Wil je één teken voor één klank gebruiken (de fonologische methode) of wil je zoveel mogelijk de schrijftekens gebruiken van de taal waaraan de Creoolse woorden zijn ontleend (de etymologische methode)?

Net als op de ABC eilanden heeft men op de Franse Caraïbische eilanden eeuwenlang de etymologische spelling gehanteerd. Immers, zolang het Creools werd gezien als een dialect van het Frans deed men geen moeite om voor het Creools een eigen spelling te scheppen. Men probeerde de Creoolse woorden eenvoudig zo Frans mogelijk te schrijven. Er was immers sprake van een duidelijke verwantschap en het Frans was vertrouwd.

Voor dit pragmatische en conservatieve standpunt zijn verschillende redenen ter verdediging aan te voeren.
Allereerst was het natuurlijk overzichtelijker om één systeem te hebben voor twee talen. Verder stonden het Creools en het Frans voortdurend met elkaar in contact en voor degenen die vertrouwd waren met het Frans was het alleen maar erg praktisch om te kunnen beschikken over een bron waartoe ze onmiddellijk toegang hadden.
Tenslotte was het ook nog leuk om de geschiedenis van de taal te kunnen aflezen aan de manier waarop hij werd geschreven.

Tóch heeft men voor het Creools van Martinique en Haïti de voorkeur gegeven aan de fonologische spelling. Hier volgen een paar voorbeelden van die fonologische spelling.

Martinique

Nederlands: ‘Meneer Jeannot, kunt u niet even blijven om wat koffie te drinken’?

Frans: ‘Monsieur Jeannot, vous ne pouvez pas rester pour prendre un peu de café’?

Creools: ‘Misié Ti Jan, ou pa ka rété bwè tibren kafé’?

N.B. Misié= Monsieur; Ti Jan = familiair voor Jean (Petit Jan); ou = vous; pa = pas; ka = kunnen (van “capable”); rété = rester; bwè = boire (17e eeuwse uitspraak); tibren = (un) petit brin.

Haïti

Nederlands: ‘Dit elementaire Creoolse woordenboek Creools ― Frans is de vrucht van het werk van een groep taalkundigen van de Universiteit RENÉ DESCARTES in Parijs’.

Frans: ‘Ce dictionnaire élémentaire créole haïtien-français est le fruit du travail d’une équipe de linguistes de l’Université RENÉ DESCARTES à Paris’.

Creools: ‘Ti Diksyonnè kreyòl sa a, se rezilta travay on ekip nèg ki sòt nan Inivèsite RENÉ DESCARTES a Pari’.

N.B. Ti = petit; sa a = cela; se = c’est; rezilta = résultat; on = un(e); nèg = mens; sòt = sorti.

Wel of geen etymologische spelling?

Om deze vraag te beantwoorden zullen we onze voorbeelden ditmaal ontlenen aan de spelling van het Papiaments die men op Aruba hanteert.

Het lijkt ― ideologisch gezien ― minder wenselijk om voor het Papiaments de etymologische spelling te voeren omdat ― vanwege het grote aantal Spaanse woorden ― de taal hierdoor onterecht het aanzicht krijgt van “een minder soort Spaans”, een taal die door de manier waarop het wordt geschreven laat zien dat het de Spaanse taal als meerderwaardig beschouwt, ja zelfs als dominant model aanvaardt.

Maar het Papiaments is geen Spaans en heeft als taalsysteem weinig met die taal gemeen. Het Papiaments kent bijvoorbeeld geen mannelijke en vrouwelijke woorden in taalkundige zin. De stadsdelen in Willemstad-Curaçao heten in het Papiaments “Otrobanda” en geen “Otrabanda”.

En iedereen weet dat veel native speakers beide termen door elkaar gebruiken, zonder zich daar overigens bewust van te zijn en zonder dat ze, desgevraagd, kunnen uitleggen waarom ze eigenlijk in het Papiaments “Otrobanda” zouden moeten zeggen. Aan de andere kant werd door de Sefardische Joden in Recife ‘de overkant’ aangeduid met ‘outra banda’. Misschien hebben ze dit begrip in de vroege 17e eeuw uit Brazilië met zich meegenomen naar Curaçao.

Een aardig voorbeeld dat verduidelijkt wat een moeite men heeft om in de praktijk de twee Antilliaanse spellingsystemen te hanteren is de geschiedenis van het Papiamentstalige woord voor “Versie” op de website van het Nederlandse Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (pagina “Nederlandse Antillen en Aruba”).
Men heeft daar een Creoolse versie in de Arubaanse spelling (etymologisch) en een Creoolse versie in de spelling van Curaçao en Bonaire (de fonologische spelling).

Maandenlang moest je ― of je wilde of niet ― voor de Arubaanse spelling klikken op “vercion Papiamento” en voor de Curaçaose op “Version Papiamentu”. Het Ministerie wilde van geen verandering weten en verwees naar Antilliaanse “zegslieden”.

Het heeft me maanden gekost en veel gezwaai met documenten (zoals het spellingsbesluit van het eilandgebied Aruba uit 1976 en citaten uit de officiële woordenboeken) om gedaan te krijgen dat het eindelijk werd veranderd in “vershon” voor de Curaçaose en “version” voor de Arubaanse spelling.

Etymologisch en Fonologisch

Aruba heeft ― om zich te onderscheiden van Curaçao en vanwege de veronderstelde grotere verbondenheid met de Iberische achtergrond ― sinds 1986 (eigenlijk al onofficieel in 1976) de etymologische spelling van het Papiaments ingevoerd. Dat wil dus zeggen dat de klanken zoveel mogelijk worden geschreven als in de oorspronkelijke taal, voor zover die oorsprong is te achterhalen.

Het resultaat is echter een onduidelijk, hybridisch systeem geworden dat bovendien geen accenten kent voor de beklemtoning noch accenten om aan te geven of een klank open of gesloten is.

Verder vertegenwoordigt de J twee verschillende klanken, de U drie, de E drie, de O twee en de C twee. De Spaanse QU wordt vervangen door de fonologische K. Tenslotte hebben we nog in de Arubaanse etymologische spelling de fonologische tekens SH, DJ en ZJ!

We hebben hier te maken met een systeem dat, vanuit taalkundig oogpunt, niet erg consequent is. De fonologische spelling die wordt gehanteerd op Curaçao en Bonaire weerspiegelt wèl op een eenvoudige, duidelijke en consequente manier de uitspraak.
Een verbetering van de fonologische spelling zou echter nog zijn de invoering van de Y (yod) om bijvoorbeeld de “klank” IA (in: papIAmentu) weer te geven. Te prefereren zou zijn: papyamentu.

De standaardisatie

De wildgroei van Spaanse woorden in de woordenschat van het Papiaments maakte dat de behoefte werd gevoeld om de taal te standaardiseren, vooral ook omdat het Creools officieel zijn intrede begon te doen op de scholen.

Woordenboeken Papiaments ― foto Fred de Haas

In 1984 kwam er een Komishon Standarisashon met drie subcommissies voor de drie ABC eilanden. In 1986 kreeg Aruba zijn eigen Comision di Standardizacion.
Zo had je dus een groep mensen die zich inzetten voor Standarisashon en andere die werkte aan de Standardizacion! Een kniesoor die dit paradoxaal durft te vinden.

Zoals te voorzien was verwezen de Arubanen de fonologisch gespelde woorden die voor standaardisatie werden voorgedragen naar de rubriek “regionale varianten”, terwijl toch het doel was één vorm te vinden voor bestaande woorden en dezelfde woorden te bedenken voor de nieuwere begrippen.

Aan het eind van de rit waren er in dertien jaar tijd nauwelijks 7000 woorden gestandaardiseerd, waaronder ook nog veel vaktermen, waar men zich nauwelijks een emotionele buil aan kon vallen. In die dertien jaar maakte men zich vooral ook druk om zaken als achtervoegsels (-shon, -sion, -cion).

(In dit verband zou ik de lezer nog eens willen verwijzen naar bovenstaand verhaal anno 2006 op de website van het Ministerie).

Gelukkig zijn er de laatste tien jaar voortreffelijke grammatica’s en ― drie! ― woordenboeken geproduceerd (te weten door Dijkhoff, Joubert en van Putte) die, als ware paarden van Troje, alsnog een standaard introduceren. Helaas geen uniforme standaard die op alle drie eilanden gebruikt zou kunnen worden.

Het geschreven en gesproken woord in de media

In kranten en tijdschriften op de Antillen is er een groot aanbod van artikelen in beide spellingen. Wat de woordenschat betreft zijn er op de Antilliaanse radio en TV veel ontleningen te horen uit het Spaans.

In Nederland, maar ook op de ABC eilanden, wordt het Papiaments doorspekt met talloze Nederlandse woorden. In een uitzending van het programma Tambú van 23 december 2006 was ooit het volgende tijdens een interview in het Papiaments te beluisteren:

Kontra di ken, eigenlijk? (tegen wie, eigenlijk?)

Diferente profesornan hulandes a ondersteun nos juridische stukkennan (verschillende Hollandse professoren hebben onze juridische stukken ondersteund)

Kon e programa ta ziet eruit… (hoe ziet het programma eruit?)

Tur gegevens (alle gegevens)

Nul komma vijf procent só (maar nul komma vijf procent)

Choukoun

Ik besluit deze beschouwing met een Creools liedje dat wereldbekend is geworden onder de naam ‘Yellow bird’, maar dat van oorsprong een Haitiaans gedicht is van Oswald Durand (tekst, 1883) en Michel M. Monton (muziek, 1893).

Toen Durand in de gevangenis zat vanwege belediging van enkele politici, schreef hij het gedicht ‘Choukoun’, de koosnaam van een vrouw die hij ooit had gekend in Cap-Haitien, waar zij een restaurantje dreef. Choukoun verliet Durand voor een jonge Fransman. Later raakte ze de weg kwijt en verviel tot bedelarij.

Met Durand hoeven we geen medelijden te hebben want hij beschreef zichzelf als ‘een tuinman die alle bloemen begoot’. Hieronder enkele coupletten in vertaling en origineel.

Choukoun

Choukoun

Dèyè yon gwo touf pengwen
Lot jou mwen kontré Choukoun
Li souri lè li wè mwen
Mwen di:  « Syèl a la bèl moun »
Mwen di:  « Syèl a la bèl moun »
Li di:  « Ou trouve sa chè ? »

Ti zwazo nan bwa ki t’ apé kouté

Kon mwen sonjé sa
Mwen genyen lapen
Ka dépi jou-sa
De pyé mwen nan chen
Kon mwen sonjé sa
Mwen genyen lapen
De pyé mwen nan chen

Achter cactussen zo groen,
ontmoette ik eertijds Choukoun.
Zij glimlachte me toe…
‘Wat ben je mooi’, zei ik oprecht.
‘Wat ben je mooi’, zei ik oprecht.
En zij: ‘vind je dat écht?’

Vogeltje in ’t woud, je hoorde onze kout.

Denkend aan ons samenzijn,
voel ik opnieuw die scherpe pijn,
ben sinds die dag getekend:
mijn voeten zijn geketend.
Denkend aan ons samenzijn,
voel ik opnieuw die scherpe pijn:
mijn voeten zijn geketend.

Tekst: Oswald Durand (1883)
Muziek: Michel M. Monton (1893)
Bewerking / vertaling FdH
Noten

[1] Bron: Bourgeois Gentilhomme (1688)
[2] Bron: Grégoire
[3] Bron: Battle Martinique (1779)
[4] Bron: Publius Ovidius Naso
[5] Ook de invloed van de structuren van de achterliggende Afrikaanse talen mag niet worden onderschat.
Zo vind je in de KWA-talen zoals het Fongbe die worden gesproken in Ivoorkust, Ghana, Togo, Bénin en Nigeria het gebruik om in plaats van wederkerige persoonlijke voornaamwoorden (zich, zichzelf) woorden te gebruiken die lichaamsdelen aanduiden. Ook in het Papiaments vinden we deze structuur.
Voorbeeld: 1. Kuida bo kurpa = pas goed op jezelf (letterlijk: zorg voor je lichaam). N.B. kuida = zorgen; bo = jouw; kurpa = lichaam. 2. No preocupá bo kabes = maak je geen zorgen (letterlijk: maak je hoofd niet bezorgd). N.B. Preocupá = zorgen maken; bo = jouw; kabes = hoofd.
In het Fongbe zijn er geen vervoegingen, er is geen mannelijk, geen vrouwelijk, geen enkelvoud en geen meervoud. Er zijn daarentegen veel samenstellingen. Allemaal eigenschappen die we terugvinden in de Creoolse talen.

studeerde cum laude af in de Franse, Spaanse en Portugese taal- en letterkunde. Vanaf het begin combineerde hij zijn functies met werkzaamheden als literair vertaler. Fred de Haas vertaalde onder meer uit het Papiaments, het Frans, het Spaans en het Russisch. Hij is leider, zanger en gitarist bij het Latijns-Amerikaans ensemble Alma Latina.

Schrijf een reactie