Hoe tientallen leden van een Joodse familie de Tweede Wereldoorlog overleefden

0

Machteld Roede

10 mei 2021, Bewerking van Huitzing, An (2021) Spartelend aan de fuik ontkomen, Dato (uitgeverij Lecturis)
Afbeeldingen met dank aan An Huitzing (tenzij anders vermeld).

Op 10 mei viel het 18e Duitse Leger Nederland binnen en begon ook voor ons land de Tweede Wereldoorlog (WOII). Na het bombardement op Rotterdam op 14 mei volgde de capitulatie. Nederland was door de nazi’s bezet.
Al snel werd ook bij ons een begin gemaakt met de Joden vervolging en genocide, de Holocaust. Op weg naar 4 mei wordt jaarlijks veelvuldig de onmenselijke Holocaust herdacht. Gelukkig zijn er ook positieve verhalen, zoals in het recent verschenen boek van antropoloog An Huitzing (1952) Spartelend aan de fuik ontkomen.

Het is een intrigerend boek vol familiegeschiedenissen, steeds voorzien van duidelijke familiestambomen en inkijkjes in het leven in de voormalige arme Amsterdamse Jodenbuurt. zowel als in het toen nieuw aangelegde Amsterdam Zuid. De gedetailleerde familieverhalen zijn knap vervlochten met het spannende verhaal van hoe een grote groep nakomelingen van het (al dan niet) Joodse echtpaar Joseph en Mietje de Hoop met behulp van advocaat Wim Kymmell trachtte te ontsnappen uit de dodelijke greep van de nazi’s. Uitvoerig zijn verordeningen van de Duitse bezetters en de uitvoering daarvan uiteengezet, evenals de onduidelijkheden over wie wel, wie niet als Joods werd beschouwd. Ook wordt inzicht gegeven in de werkwijze van de Duitse jurist Hans Calmeyer, die zover zijn mogelijkheden het toelieten honderden Joden voor deportatie wist te behoeden.

Joodse voorouders — Verordening 6/41

Tijdens de Duitse bezetting moesten voor 26 oktober 1940 ambtenaren en kunstenaars formulier A ondertekenen, waarmee zij verklaarden dat

“noch hijzelf/ zijzelf, noch zijn/ haar echtgenoot(e)/ verloofde, noch een zijner(harer) / hunner ouders of grootouders ooit heeft behoord tot de Joodsche geloofsgemeenschap”,

 de zogenaamde ariërverklaring. Anders moest op een formulier B informatie worden gegeven over de Joodse grootouders. Dit was niet helemaal duidelijk. In januari 1941 verplichtte Verordening 6/41 (Vo 6/41) alle Nederlanders met Joodse voorouders om op te geven of zijn grootouders, hijzelf of zijn partner lid waren van de Joodse gemeenschap.
Ze beseften niet zo te belanden in een administratieve fuik die voor 104.000 Nederlandse Joden uitkwam in de dodelijke gaskamers van Auschwitz of Sobibor.

Joods of niet Joods

Volgens orthodoxen en liberalen betekent de Joodse identiteit het leven volgens de Wet van de Thora. Binnen het Jodendom bestaan echter verschillende interpretaties van wie Joods is. De traditionele Joodse wetgeving stelt:

“alleen die persoon waarvan de moeder ten tijde van de geboorte een Jodin was of de persoon die zich vrijwillig tot het jodendom heeft bekeerd op grond van de Joodse wetten is Joods”.

Kinderen met een Joodse vader maar een niet-Joodse moeder zijn dus niet Joods. De Nederlandse-Israëlitische Hoofdsynagoge stelt dat wie aangenomen is als lid Jood blijft, ook al neemt men afstand en wordt er geen kerkbelasting meer betaalt.

Neurenberger Rassen Wetten

In de op 15 september 1935 in Duitsland ingevoerde Neurenberger Rassen Wetten werden andere indicaties gehanteerd. Hoewel de nazi’s Joden volgens hun (op vervalste geschriften gebaseerde) rassenleer als Rassisches Untermenschentum beschouwden, berustte hun definitie van Joods niet op biologische kenmerken, maar op het religieuze gegeven te behoren tot de Joodse Geloofsgemeenschap:

Een grootouder die behoorde tot de Joods-kerkelijke gemeenschap was voljoods. Bij twijfel werd gekeken of een huwelijk was ingezegend in de sjoel of naar een bijzetten op een Joodse begraafplaats. Jood was ieder met ten minste drie voljoodse grootouders, evenals iemand met twee Joodse grootouders en zelf opgenomen in de Joodskerkelijke gemeente, of met een voljood gehuwd. Op het persoonsbewijs kwam een J te staan.
De rabbinale moederafstamming werd niet gevolgd en ontelbare ‘vaderjoden’ leden even hard onder de Holocaust.

De verplichte Jodenster[1]

Gemengde huwelijken zorgden voor veel verwarring en onduidelijkheden. Al werd van zowel van de Joodse als de Christelijke kant een gemengd huwelijk niet echt geapprecieerd, toch was bij het begin van WOII in Nederland 27,5 procent van de Joden gemengd gehuwd. Zo’n kleine vijftien duizend Nederlanders hadden twee Joodse grootouders. Waren ze niet ingeschreven bij de Joods-kerkelijke gemeente en/of niet met een voljood getrouwd, dan kregen ze als ‘half-jood’ op hun kaart een G-I (gemend bloedig in de eerste graad).
Zo’n zesduizend ‘kwart-joden’ hadden slechts één Joodse grootouder; zij werden bestempeld als G-II (gemengd bloedig in de tweede graad). Er was veel twijfel. Wat als twee grootouders half-joods waren, of als je niets over je grootouders wist? (AH, p. 19-21).

Hans Georg Calmeyer

Vanaf maart 1941 werkte de Duitse jurist Hans-Georg Calmeyer (1903–1972) bij de Duitse Bezettingsadministratie als Judenreferent bij de afdeling Innere Verwaltung waar Joden zich moesten registreren.

Hij was geen partijlid; hij logeerde als kind bij familie in Nederland en was vertrouwd met het Nederlands. Hij besliste over de verzoeken om herziening van de registratie als Jood.

Gefingeerde documenten

Meerderen trachtten volgens de Vo 6/41 criteria aan te tonen geen Jood te zijn door een Joodse afstamming te ontkennen met allerlei ontlastende documenten, waaronder gefingeerde bewijsstukken. Van alles werd uit de kast gehaald.
Joodse moeders bleken opeens veelvuldig vreemd te zijn gegaan want afstammingsrapporten meldde dat een zogenaamd buitenwettelijke afkomst met een niet-Joodse vader was ontdekt.

Hans Georg Calmeyer[2]

Een andere uitweg bood het zich bij de het Amsterdamse Instituut voor Anatomie te laten ‘ontjoodsen’ door medicus Arie de Froe. Volgens de strakke regels van de antropometrie werden vele lichaamsdelen opgemeten, zoals de omtrek van het hoofd, neus en de dikte van de bovenlip; ook oog- en haarkleur werd getalsmatig vermeld. Alles werd samengevat in vele tabellen en grafieken. Op grond hiervan werden wetenschappelijk betrouwbaar ogende maar zwaar gemanipuleerde ‘niet-(vol)Joods’ nep attesten opgesteld.
Enkele honderden Asjkenazische (Hoogduitse) Joden lieten zich meten ook 375 Sefardische (Portugese) Joden. Mede op grond van vele portretfoto’s werden zij bestempeld als ‘mediterraan’ of ‘Iberisch’ (Jessurun d’Oliveira et.al., 2015).

Bewijsmateriaal niet waterdicht

Calmeyer moet geweten hebben dat veel bewijzen vervalst waren, verklaarden getuigen na de oorlog. Hij gaf zelfs wel eens een hint hoe een bewijs wat te verbeteren (AH, p. 25). Bij een niet te zichtbaar vervalsing kon hij een vrijstelling verlenen, waarbij de zo gevaarlijke J uit het persoonsbewijs werd weggehaald.
Van de 5667 verzoeken keurde Calmeyer in 3709 gevallen de bezwaarschriften en het ‘bewijsmateriaal’ goed. Een levensreddend beslissing die tot uitstel en afstel van deportatie leidde, want wegvoering naar de concentratie- en vernietigingskampen in Duitsland en Polen betekende gemiddeld in 96 van de 100 gevallen de dood.

Een 1958 verzoeken moest hij afwijzen omdat het bewijsmateriaal niet waterdicht was, het knoeien met gegevens te duidelijk.
Een zo’n geval werd vorig jaar uitvoerig op de televisie behandeld. Daarop dienden 200 prominente Nederlanders een bezwaarschrift aan bondskanselier Angela Merkel aan tegen het plan om in zijn woonplaats Osnabrück een museum naar Calmeyer te vernoemen.

Historicus Lou De Jong schreef 1974 in zijn Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog dat hoewel Calmeyer zeker besefte dat veel herzieningsverzoeken op vervalsingen berustten, hij zich ervoor bleef inzetten, al dreigde dit hem in conflict te brengen met zijn superieuren.
Vooral de NSB’er en SS’er Ludo ten Cate, directeur van de Centrale dienst voor Sibbekunde, hield hem in de gaten. Calmeyer kreeg in 1992 postuum de eervolle Israelische Yad Vashem onderscheiding, evenals een drietal Nederlandse advocaten die met hem aan het ‘ontjoodsen’ hadden samengewerkt.

Een groep van zo’n tachtig mensen en hun advocaat Kymmell bleef tot nu toe vrijwel ongenoemd. An Huizing heeft nu dit hiaat opgevuld.

Hoe het balletje ging rollen en rollen

An Huitzing en haar dochter Tamara Becker zochten eerder 200 familiegeschiedenissen bij Oorlogsfoto’s van Studio Wolff. Zij hielpen graag nabestaanden van de veelal Joodse mensen op de foto’s om verloren gegane familieverhalen terug te vinden om zo hun tot dan veelal onbekend familieverleden te reconstrueren.

Op een tentoonstelling over Studio Wolff in het Amsterdamse Holocaust Museum wees bezoeker Peter Hofman (naar later bleek zelf protestants gedoopt) An Huitzing in juni 2017 zijn familie aan op een foto van een kraambezoek uit 1943 van een Joodse familie Wessels.

Vrij terloops vroeg hij of Huitzing wellicht wist hoe zij de oorlog overleefden.
Huitzing overlegde vervolgens met zeven familieleden Wessels.
Zij wisten vaag iets over een ‘bewijs’ dat ze niet Joods zouden zijn. Hier zou tijdens de oorlog een advocaat Kymmell bij Judenreferent Calmeyer gebruik van hebben gemaakt voor een grote familie, waaronder ook de Wesseltak (AH, p. 9-11).

An Huitzing had door haar eerdere zoektochten al informatie over een paar familieleden uit andere takken. Er kwamen nu brieven te voorschijn over twee gezamenlijke betovergrootouders, met mogelijk Arische biologische vaders.

Wat was waar, wat was gelogen?

An begon stambomen op te zetten en dossiers na te zoeken van ooms, tantes, neven en nichten. Allen bleken inderdaad afstammelingen van het echtpaar Joseph en Mietje de Hoop. An ontdekte dat een kleindochter Pam getrouwd was met de genoemde advocaat. Over hen kwamen via een ander toevallig contact nog veel meer te voorschijn.

De zegelring van Siegfried Rosenberg (1890–1944) – foto MR

Want het balletje rolde voor een tweede keer toen een mij onbekende An Huitzing me opbelde over de van oorsprong Duitse, Joodse Siegfried Rosenberg, ooit onderdirecteur bij de Amsterdamsche Bank op het Rembrandtsplein, waar zijn jongere broer Gustav als procuratiehouder werkzaam was.
De bank had veel rijke Joodse klanten en, toen uitzonderlijk, meerdere Joodse directieleden. Mijn vader Roelof Roede werkte onder Siegfried. Toen op bevel van de bezetter alle joden de Amsterdamsche Bank moesten verlaten gaf hij zijn zegelring aan mijn vader.

“Wanneer ik niet meer terugkom blijft hij van jou”.

Mijn Groningse vader, wars van opsmuk, droeg hem altijd; na zijn dood kreeg ik hem. (Ik draag de ring tijdens het schrijven van deze bijdrage). Omdat ik voor na mijn overlijden een bestemming zoek voor deze bijzondere ring zocht ik al jaren geleden op een Joodse site naar eventuele familieleden Rosenberg. Nooit kreeg ik enige reactie. Tot An Huitzing mij belde.
Siegfried’s broer Gustav Rosenberg bleek getrouwd te zijn geweest met Josephina de Hoop, een kleindochter van Joseph en Mietje de Hoop. Zo was ze op mijn zoektocht gestuit. Het was bijzonder dat ik nu na jaren meer over Siegfried te weten kwam. Het werd nog mooier …

Het toeval komt op je af

Al pratend kwamen we er achter dat deze Josephina — dochter van Sam de Hoop, het jongste kind van Joseph en Mietje — een volle nicht was van Lou van Os — een zoon van Sam’s zuster Mina van Os-de Hoop. En Lou van Os was de schoonvader van mijn zusje. Wat is de wereld toch altijd weer klein.
Omdat ik als jonge tiener veel bij de familie van mijn toen nog aanstaande zwager over de vloer kwam heb ik Mina, voor iedereen Omaatje van Os (overleden in 1951) goed gekend, evenals dochters van haar en hun kinderen. Ik kon dan ook An Huitzing veel nieuwe informatie geven. En het balletje rolde verder en verder. Een extra toevalligheid is dat ik zelf eerder sprak en schreef over Arie de Froe’s nep-attesten om bij Calmeyer niet-jood verklaringen te verkrijgen (Jessurun d’Oliveira et.al.).

Zo mondde Hofmans simpele vraag in 2017 tenslotte uit in een zeer uitvoerig onderzoek, met steeds weer nieuwe verrassingen. Samen met Peter Hofman werd in archieven meer dan een halve meter aan dossiers doorgenomen, brieven en kladbrieven konden worden bestudeerd, oude kranten werden doorgespit, er kwam met steeds meer familieleden contact, oude familiefoto’s werden aangeleverd. Daardoor ontstond zicht op een onderlinge samenhang van de vele dossiers, tenslotte in het hier besproken boek beschreven.

Joseph de Hoop en Mietje van Hesse, de stamouders

Joseph de Hoop (1823–1876)

De Amsterdamse ouders van Joseph waren ingeschreven bij de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge in Amsterdam en werden begraven op de Joodse begraafplaats Zeeburg. Er waren wel twijfels. Joseph’s moeder naaister Sara Berclouw was bij zijn geboorte ongehuwd. In 1834, toen hij elf jaar was, werd Joseph geëcht bij Sara’s huwelijk met de Joodse schoenmaker Samuel de Hoop, die slechts ruim veertien jaar ouder was dan zijn stiefzoon. Wie de biologische vader van Joseph is geweest is nooit duidelijk geworden; wel stond hij bekend als Joods.
Stiefvader Samuel werkte vervolgens als koperslager en later als kalkmeter. Ze woonden toen in de Jodenbuurt in de Zwanenburgerstraat, en waren alle drie geregistreerd als Nederlands-Israëlitisch (NI). Joseph was sigarenmaker, maar werd later hoornblazer bij de infanterie, waardoor het gezin veel verhuisde.

Mietje van Hesse (1832-1922)

Ook de afkomst van Mietje is niet echt duidelijk. Ze was de dochter van de ongehuwde koopvrouw Naatje Wolf, en werd toen ze veertien jaar was erkend in 1845 bij het huwelijk van Naatje met de kramer Wolf van Hesse dat in de Haagse synagoge werd ingezegend. Het gerucht ging dat haar biologische vader een christen was.
Mietje, venster van garen en band, kreeg in 1851 toen ze twintig was dochter Dina. Ze woonden meer dan eens bij haar ouders, o.a. in de uitgesproken armoedige Amsterdamse Joden Houttuinen. Ze waren alle vier geregistreerd als NI, hoewel Naatje nooit bij een synagoge is ingeschreven. In 1855 werd Saartje geboren.

Op 18 december 1856 trouwde Josepf (Jo) Benedictus de Hoop met Mietje van Hesse, waarbij de achternaam van haar dochtertjes Dina en Saartje van Hesse werd veranderd in de Hoop werd. Het is niet duidelijk of het huwelijk van Joseph en Mietje in een sjoel is ingezegend. Ze kregen samen nog zeven kinderen. In het bevolkingsregister van Leiden stond bij Joseph vermeld ‘geen godsdienst’, hij was nooit ingeschreven bij een synagoge, en hij is niet op een Joodse begraafplaats begraven.
Na zijn dood waren ze echt arm; ze woonden o.a. in een bedompte kelderwoning; later ging het wat beter en konden ze naar de Pijp verhuizen. Ze stonden steeds vermeld als NI, maar ook Mietje is op een niet-Joodse begraafplaats begraven (AH, p. 43-45).

De negen (stief)kinderen van Joseph en Mietje de Hoop

Stamboom van Joseph de Hoop in 1856 getrouwd met Mietje van Hesse met zeven van hun negen kinderen

Twee kinderen zijn maar kort behandeld in het boek en zijn niet in de stamboom opgenomen. Mietjes eerste dochter, de ongetrouwde Dina van Hesse, later de Hoop, werd toen ze 76 jaar was opgenomen in het Joods bejaardenhuis De Joodse Invalide en begraven op de Joodse begraafplaats in Diemen. Haar vierde dochter Elisabeth de Hoop, dienstbode en later modiste, en haar bastaard zoon Jozef, violist en later handelaar in oud papier, waren ingeschreven als NI. Beiden woonden meer dan eens (ook tijdens WOII) in Engeland waar ze ook zijn overleden (AH, p. 47-48).

Mietjes tweede bastaard dochter Saartje van Hesse, later de Hoop bleef haar hele leven ingeschreven als NI, hoewel ze in 1942 stierf in een rooms bejaardenhuis. Haar echtgenoot J.H. Boelen was evenals haar latere tweede echtgenoot katholiek, evenals haar negen kinderen. Ze meldden zich niet aan voor Vo 6/41. Drie van haar kleinkinderen waren roomse geestelijken (AH, p. 48-51).

Marianne de Hoop trouwde in de sjoel onder de choepa, het huwelijksbaldakijn, de Joodse diamantslijper en latere juwelier, vrijmetselaar weduwnaar Levie (Leon) Dribbel; hij echtte haar twee bastaard kinderen. Het gezin, nog uitgebreid met zeven kinderen, was NI. Leon en Marianne zijn begraven op de Joodse begraafplaats in Muiderberg (met meer aanzien dan die in Diemen).

Hun kinderen huwden Joodse partners, deels uit familie van handelaren in lompen en oud papier; meerderen van hen kwamen uiteindelijk op adressen van stand te wonen. Ze meldden in 1941 bij Vo 6/41 vier Joodse grootouders, evenals twee kleindochter, beiden getrouwd met een niet Joodse man (AH, p. 51-56). Ook het gezin van dienstbode Henriëtte de Hoop, getrouwd met de Joodse reiziger en koopman Mozes Wessels, was NI. De meesten van hun acht kinderen trouwden een Joodse partner, evenals de meesten van hun negentien kleinkinderen. Bij Vo 6/41 werden veelal vier Joodse grootouders opgegeven (AH, p. 56-67).

Mina de Hoop trouwde in 1863 Abraham van Os, waarschijnlijk in de sjoel. Ook hij kwam uit de Jodenbuurt, waar zijn vader Levie van Os pettenmaker was, later slotenmaker; zijn moeder was naaister. Het gezin was gelovig, maar Abraham werd dat steeds minder en zou later begraven worden op het niet Joodse Zorgvlied. Wel stond zijn hele gezin geregistreerd als NI. Hij werkte als huzaar, als diamantslijper en vervolgens in een aantal minder duidelijke beroepen. Ze verhuisden veel, naar steeds nieuwere en betere buurten van Amsterdam. Mina liet zich in 1937 uitschrijven als lid van de Joodse gemeenschap, maar ze bleef genoteerd als NI. Voor Vo 6/41 gaf ze vier Joodse grootouders op (AH, p. 67–69).

Actrice Alida de Hoop trouwde toneelspeler en -directeur Salomon Frank, een niet praktiserende Jood. Veel recensies schrijven over hun populaire blijspelen en operettes. Vervolgens woonden ze met hun gezin in Londen waar Salomon nu diamant handelaar was. Door WOI moesten ze terug naar Nederland; later vertrokken ze samen met een getrouwde dochter en haar man naar de Ardèche. Alida kwam na Salomons dood alleen terug naar Nederland, maar ze wist voor Vo 6/41 van kracht werd terug te keren naar de Ardèche; ze overleed in Marseille. Haar tweede getrouwde dochter zat tijdens WOII in Nederlands-Indië. Geen van hen meldden zich aan voor Vo 6/41 (AH, p. 74-75).

Willem de Hoop en zijn doopsgezinde vrouw lieten zich beiden later kerkelijk uitschrijven; hun kinderen werden ingeschreven als Nederduits hervormd, evenals sommigen van hun kleinkinderen.
Willem was diamant bewerker, daarna o.a. koopman. Van alles wat hij begon liep na ietwat verdacht omstandigheden weer mis; hij verloor steeds weer veel geld. Zoon Max zat een tijd in een Rijksopvoedingsgesticht, de twee oudste kinderen van zoon Jo (NSB’er) zaten na de vroege dood van hun moeder als kind in een gesticht. Andere kleinkinderen studeerden en zaten in het verzet.
Willem vermelde halsstarrig slechts één Joodse grootouder, evenals een aantal van zijn (klein)kinderen, die deels in Nederlands-Indië woonden en opgroeiden. Hij en zijn foute zowel als goede nakomelingen komen op meerdere plaatsen in het Fuik boek voor (AH, p. 31-35; 75-78; 152–153; 175-177).

Sam(uel) de Hoop trouwde een Joods meisje uit een familie van diamantsnijders wat ook Sam aanvankelijk was. Het gezin was NI. Hij was een goede turner, werkte zich op tot gymnastiek leraar, en opende in 1906 samen met zijn broer Willem achter de Amstel een modern turngebouw van drie etages, voor o.a. heilgymnastiek, geneeskrachtige baden en ook floret schermen.

An Huitzing vond zowaar een foto van de sportschool met op de gevel in grote tegels de familienaam de Hoop. Later gaf hij heilgymnastiek aan huis. Hij was mede oprichter van een turn- en roeivereniging, en was actief in andere sportclubs; daarnaast won hij prijzen met zijn speciale kippen ras. In 1937 — kort nadat hij bij zijn afscheid van alle kanten was geprezen — overleed hij en werd begraven op het niet Joodse Zorgvlied, naast de zijn een jaar eerder aan ms overleden dochter Josephina Rosenberg-de Hoop. Haar twee dochtertjes Ineke en Ellen zijn zeker aangemeld met vier Joodse grootouders, evenals Sam’s dochter Lucie de Hoop (AH, p. 78-80).

Abraham van Os en Mina de Hoop

Stamboom van Mina de Hoop en Abraham van Os

Als impressie van alle familieverhalen wordt één gezin wat uitgebreider besproken. Ze komen op meerdere plaatsen in het Fuik-boek voor.
Mina de Hoop en Abraham van Os kregen zeven kinderen. Alleen de oudste zoon Jo bleef door zijn huwelijk met een Sefardische vrouw in Joodse kringen verkeren, de overige zes trouwden niet-Joodse partners.

Dochter Mies trouwde de Nederlands-Hervormde van ‘t Vlie; later vermeldde hij ‘geen religie’. Hij wekte zich op tot procuratiehouder; ze woonden lang op de chique Minervalaan.

Jerris trok Nederlands-Indië waar ze de Zeeuwse van Rossum, koopman in koffie, trouwden. Bij verlof logeerden ze Hotel Americain op het Leidseplein, tenslotte woonden ze in de Cliostraat, dus ook op stand. Als godsdienst werd ‘geen’ opgegeven, over godsdienst of afkomst werd nooit gepraat.

Fie trouwde met de Haagse architect Prent, die enige jaren Rijksbouwmeester was. Ook een van haar zonen werd architect; een beminnelijke, ‘aristocratisch’ persoonlijkheid.
Ze stond aanvankelijk ingeschreven als NI, maar ze werd, althans na de oorlog, wat boos wanneer men vroeg of ze wellicht Joods was.

Het jongste kind Lidy was eerst als een NI-se met de Nederlands–hervormde gegoede koopman Peters getrouwd.
Bij haar latere huwelijk met Bloembergen, directeur van een kopieerdrukkerij, staan beiden geregistreerd als NH. Ze melde zich in 1941 aan met twee Joodse voorouders (o.a. AH, p. 70–73; 117).

Gezin van Abraham en Mina van Os-de Hoop rond 1900; links naast Mina Lou, het meisje in het wit is Pam

In 1918 trokken ook Louis (Lou) en Pam van Os naar Nederlands-Indië. Tekenaar Lou werkte er succesvol als architect.
In 1922 trouwde hij de Indische Lietje Klusman, waarbij haar zesjarige dochtertje werd geëcht. Samen kregen ze nog twee kinderen, Willy en Boy. Er was personeel, een auto met chauffeur.

Het gezin vertrok in 1929 naar den Haag, waar in 1930 zoon Henk werd geboren, en in 1938 naar de Amsterdamse Stadionbuurt, waar een Indische (schoon)zuster bij hen inwoonde. Voor Lou en zijn aanvankelijk Nederlands-hervormde Lietje stond geregistreerd ‘geen religie’. Thuis hing een tempo doeloe sfeer; de twee zussen Klusman maar ook de in Indië geboren en getogen kinderen hadden een herkenbaar Indisch tongval. Wanneer het een enkele keer ter sprake kwam werd met grote stelligheid een mogelijke Joodse afstamming ontkend (AH, p. 37–39; 69).

Pam van Os was een opvallende, knappe verschijning, die tot op late leeftijd waar ze ook binnen kwam de aandacht trok. Ze kreeg twee zoontjes bij haar baas, de getrouwde, avontuurlijke, half-Duitse op Java geboren chemicus Johan Sauer, die in 1915 medeoprichter was geweest van de Norit-fabriek.

Louis (Lou) en Pam van Os voor vertrek naar Nederlands-Indië in 1918

In 1922 was Pam in Berlijn vier maanden getrouwd met Johan’s Duitse neef Sauer; de zoontjes kregen de naam Sauer. Na haar scheiding woonde ze in Den Haag samen met Johan. Ze kregen nog een derde zoontje en trouwden in 1925; helaas overleed Johan Sauer in 1928.

Pam verhuisde naar de Amsterdamse P.C. Hooftstraat. Bij haar inschrijving werd haar er vroeger genoteerde NI. doorgehaald, voor de drie zoontjes werd ‘geen religie’ genoteerd. Een strenge Amsterdamse ambtenaar gaf de oudste twee, Billy en Robert, hun achternaam van Os terug; Charlie, aangegeven door zijn biologische vader, bleef een Sauer.

Al in 1929 trouwde weduwe Pam de gescheiden, hoffelijke, Nederlands-hervormde advocaat Anne Willem (Wim) Kymmell, uit een Drents geslacht van notabelen, bestuurders, burgemeesters. Zij woonden met ook het zoontje uit Wim’s eerdere huwelijk in de Nicolas Maesstraat.

“Het was er een gezellige boel met al die jongetjes”.

Kymmell’s advocaten kantoor lag aan het Museumplein (nu staat daar het Van Gogh Museum), (AH, p. 37–39; 72-73).

De nazaten van Joseph en Mietje de Hoop

Naast de actrice Alida Frank-de Hoop waren meerdere afstammelingen actief als kunstenaar. Saartjes dochter zangeres Dina Boelen was getrouwd met Jan van Laar, die het populaire lied ‘Daar bij die molen’ schreef; ze traden als ‘Duo van Laar’ veel op met o.a. Heintje Davids.
Ook andere Boelens waren musici. Elisabeth’s zoon Jozef de Hoop was een tijd violist; Marianne’s oudste dochter Lies was zeer muzikaal. Sam’s dochter Lucie de Hoop was na haar huwelijk met toneelspeler Chris Baay secretaresse bij cabaretier Wim Kan (AH, p. 153).

De snelle sociale stijging was opmerkelijk. De armoedige stegen in de Jodenbuurt waren verlaten; bij het begin van de oorlog woonden men in de nieuwbouw in Amsterdam-Zuid, Laren of de Haagse Bezuidenhout, veelal op plekken van stand.
Stammoeder Mietje de Hoop kon niet schrijven, haar (achter)kleinkinderen gingen naar middelbare scholen, meerderen studeerden, werden jurist, medische specialist, kregen banen van aanzien.
Zo werd Pam’s jongste zoon geoloog Charlie Sauer in Canada directeur van een Oceanisch Instituut; Lou’s jongste zoon tuinbouwkundige Henk van Os was decennia lang een gewaardeerd directeur van de Bloembollenkeuringsdienst in Lisse en een geliefd voorzitter van de Keukenhof.

Fout

Als in iedere familie waren er zwarte schapen. Voor een acceptatie bij de NSB en de SS trachtte Jo de Hoop, samen met zijn vader Willem de Hoop, hardnekkig aan te tonen dat hij géén of althans slechts één Joodse voorouder had, al was één Joodse grootouder al reden voor ontslag.

Jo’s zoon typograaf Willi de Hoop zat eveneens bij de Waffen-SS; zijn verloofde kwam uit een NSB en SS gezin. Willi werd driemaal verwond en op 23-jarige leeftijd raakte de Unterscharführer (sergeant) bij de jacht op Tito’s partizanen tijdens een patrouille in Kroatië vermist; zijn lichaam is nooit gevonden (AH, p. 14–18; 171–174).

Ook Mina Van Os-de Hoop’s kleinzoon Harry Peters, een zoon uit het eerste huwelijk van Lidy van Os, zat bij de SS. Na de scheiding van zijn ouders woonde hij bij zijn (door syfilis?) invalide vader, een NSB’er.
Harry werd er min of meer ingeluisd door Baarnse NSB schoolvrienden met mooie beloftes over een sportopleiding. Zijn moeder was woedend en hij zelf had vrij snel spijt. Er ontstond echter een steeds groter tekort aan manschappen en zich terugtrekken was niet meer mogelijk. Hij vocht tweemaal aan het oostfront en raakte gewond door een granaatscherf. Om bij de SS weg te komen trachtte hij nu, hoewel dat bij zijn aanstelling niet was vermeld, méérdere Joodse voorouders aan te tonen via het NSB bureau voor Sibbekunde in Utrecht, met aan het hoofd Ludo ten Cate, en bij de SS-Pfleggestelle (bureau voor raszorg) in Berlijn.
Harry bleek inderdaad als een G=II (één Joodse voorouder) geregistreerd te staan en mei/ juni 1944 werd hij uit de SS-gelederen ontslagen (AH, p. 117; 168-172).

Verzet — Engelandvaarders

Daarentegen zaten meerdere achterkleinkinderen van Joseph en Mietje de Hoop in het verzet. Ook twee kleinzonen van Willem de Hoop, Wim en Max Wessel — zonen uit het eerste huwelijk van zijn dochter Suus met de Joodse KNIL-officier Wessel Wessel.
Ze waren in Indië niet gelovig opgevoed maar wisten van hun Joods afkomst. Ze woonden vanaf 1932 in Amsterdam bij pleegmoeder tante Ali, een zendingsvrouw. Zij wist te regelen dat alle vier aan haar toevertrouwde Wesselkinderen geen jodenster meer hoefden te dragen.

Als dank ging Wim Wessel — die nog net voor de sluiting van de Leidse universiteit zijn kandidaats indologie haalde — in het verzet onder de schuilnamen Cornelis van Hoogstraten en Illex.
Hij vervalste persoonsbewijzen en verspreide het illegale blad De Vrije Kunstenaar, waar hij een trouw medewerker was van verzetsman Gerrit van der Veen.
Op 5 januari 1945 werd hij bij een gewapende overval op de Looiersgracht om suiker voor onderduikers te bemachtigen door verraad opgepakt, overgebracht naar het Huis van Bewaring en op de lijst van Todeskandidaten gezet.

Op 6 januari 1945 is Wim Wessel met vier anderen gefusilleerd tegen de muur van Marnixkade 404, als represaille voor de ook op de 5e gepleegde aanslag op de daar gevestigde beruchte Arbeitseinsatz. Een door Hildo Krop gemaakt bronzen beeldje op een zuil met een gedenksteen voor de gevallenen markeert de plek van de fusillade (waar later het DeLaMar theater werd gevestigd), (AH, p. 75–76; 175–177).

Beeld voor de op 6 januari 1945 gevallenen waaronder Wim Wessel — Hildo Krop[3]

Wim ‘s jongere broer Max Wessel, student geneeskunde in Amsterdam, was in februari 1942 met een vriend op weg om via Portugal Engeland te bereiken, maar werd bij Bordeaux gearresteerd en een maand gevangen gezet.

Na terugkeer in Amsterdam organiseerde hij met succes voor anderen een zelfde vluchtroute. November 1942 werd hij hiervoor gearresteerd. Via het Oranjehotel in Scheveningen en Kamp Amersfoort belande hij in kamp Vught, waar een bewaker hem ‘voor de grap’ verwonde.
Pleegmoeder Tante Ali kreeg in de Euterpestraat voor elkaar dat Max naar een lazaret werd overgeplaatst waar zijn been moest geamputeerd. Augustus 1943 kreeg Max gratie. Na de oorlog werd hij internist.

August van Rossum, de oudste zoon van Mina van Os’ dochter Jerris, was sinds de mobilisatie in 1939 vliegenier. Zijn eenheid wist op tijd naar Frankrijk te ontkomen; met vele anderen kwam hij vandaar op 31 mei 1940 in Engeland aan.
Bij de RAF maakte hij als piloot van een Halifax-bommenwerper vele succesvolle oorlogsvluchten; Juli 1943 bracht hij een Duitse onderzeeër tot zinken. ‘Hij kreeg meerdere hoge onderscheidingen’.

Paul van Rossum wist 12 mei 1940 nog net naar Indië te ontkomen waar hij werd gedetacheerd bij de Nederlands-Indische Luchtmacht. Twee jaar later kwam hij naar de Verenigde Staten voor de opleiding tot Dutch Wing vliegenier. Helaas kwam hij daar augustus 1942 bij een auto ongeluk om het leven.

Huitzing’s verhaal over Boy van Os, Lou’s oudste zoon, wijkt wat af van wat er vanuit zijn gezin heel spaarzaam over werd verteld. De net negentienjarige tekenaar Boy mocht het Sperrgebiet van de duinen betreden omdat zijn NSB baas als aannemer daar prikkeldraadversperringen aanlegde voor Hitler’s grote project de Atlantikwall.
Boy werd er de vroege ochtend van 22 maart 1943 per abuis voor een spion aangezien en ter plekke doodgeschoten. Het verhaal ging dat hij situatie tekeningen die hij voor zijn baas moest maken doorspeelde aan het verzet.

Ook de drie zonen van Mina’s dochter Pam van Os zaten aan de goede kant.
Student geologie Billy van Os ontkwam als Engelandvaarder aan de verplichting van Nederlandse mannen tussen de 17 en 40 jaar om in Duitsland te gaan werken. Deze geschiedenis was niet verder te traceren.

Medisch student Robert van Os werd opgepakt bij het uitdelen van illegale krantjes bij het Centraal Station Amsterdam. Hij werd te werk gesteld in een Duits ziekenhuis, waar een bewaker met zijn geweerkolf Robert’s sleutelbeen verbrijzelde; het moest later worden verwijderd. Hij werd na de oorlog oogarts, maar hield zijn leven lang last van een ernstig oorlogstrauma.

Zijn broer Charlie Sauer wist bij zijn tweede poging via Zweden Engeland te bereiken, waar hij bij de RAF als boordschutter deel nam aan 53 bombardementsvluchten, waarvoor hij geëerd werd met het vliegerkruis. Na de bevrijding volgde hij de Hogere Zeevaartschool en werkte als derde officier op de Holland- Amerikalijn. In 1954 ging hij in Canada geologie studeren en werd oceanograaf (AH, p. 174–178).

Al het bovenstaande is slechts een summier uittreksel van alles wat An Huitzing over Joseph en Mietje en hun vele nakomelingen terug wist te vinden, zelfs over verbroken verlovingen en relevante afbeeldingen uit oude kranten.

Huidige familieleden zullen zeker de veelal onbekende verhalen geïntrigeerd lezen, buitenstaanders kunnen hier desgewenst wat door heen sprokkelen. Veelvuldig is in het Fuik-boek de registratie als Nederlands-Israëlitisch (NI), een huwelijk in de sjoel, of de plaats van de begraafplaats vermeld omdat dat essentiële informatie was bij het zich laten registreren volgens de 13 januari 1941 ingevoerde Verordening 6/41.

Verordening Vo 6/41

Voorlopig aanmeldingsbewijs voor ‘personen van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede’, op naam van Louis Ph. Polak, 1941. Collectie JHM, D000139[4]

In 1941 woonden 96 van de 120 nakomelingen van Joseph en Mietje de Hoop in Nederland. Hun dochters Saartje Boelen-de Hoop en Mina van Os-de Hoop meldden zich bij Vo 6/41 aan als NI met vier Joodse grootouders (J4), zoon Willem de Hoop hield vast aan slechts één Joodse grootouder. De 25 in Nederland wonende kleinkinderen stonden vermeld als NI (12), katholiek (5), protestant(2) en zonder godsdienst (4); vijf hadden een Joodse huwelijkspartner. Van Mina’s 14 kleinkinderen was alleen Jo’s zoon Bob van Os als NI geregistreerd.
Maar ze moesten zich volgens Vo 6/41 allemaal aan gaan melden. Omdat hun beide ouders Joods waren (familie Dribbel, Wessels, van Os, en Sam de Hoop) 17 met vier Joodse grootouders, de acht kinderen van Saartje en Willem met slechts twee. Ze meldden echter uiteenlopende aantallen en meestal dat ze niet waren aangesloten bij de synagoge. Er kwamen steeds meer gemengde huwelijken. Toch waren alle 58 achterkleinkinderen, met minstens één Joodse grootouder, aanmeldingsplichtig. Voor zo ver bekend meldden 24 zich aan met twee of meer Joodse grootouders en 16 met slecht één. Vier meldden zich niet omdat ze een Joods afkomst ontkenden (AH, p. 72–73; 81-82).

Velen waren ‘niets’, al trouwden ze wel in de sjoel omdat het nu eenmaal van oudsher zo hoorde (Anatevka’s melkboer Tevjes ‘traditie’) maar leefden verder ‘geassimileerd’ (het Jodendom bewust loslaten en leven als een niet-Jood). Dus geen bezoek aan de sjoel, niet vasthouden aan de strenge regels om koosjer te eten; wel vaak op vrijdag kippensoep. Over boterkoek en het mogelijk nog besnijden van de pasgeboren jongetjes is in het Fuik-boek niets vermeld, wel één keer een bar mitswa (het kerkelijk inwijdingsfeest van de dertienjarige jongens) op 19 juli 1924 van Louis Wessels (kleinzoon van Henriëtte Wessels-de Hoop), (AH, p. 59).

De consequenties van de Vo 6/41 registratie

Aanvankelijk werd de drastische consequentie van de Vo 6/41 registratie niet doorzien. Over het transport naar de onmenselijke concentratiekampen en de dodelijke gaskamers was slechts zeer weinigen iets bekend. Velen hebben zich dan ook argeloos naar waarheid als voljoods of halfjoods aangemeld.

Veertien familieleden vonden zo een vreselijk einde, zoals Louis en Max Dribbel. Leo Auerhaan (jongste zoon van Marie Wessel, kleinzoon van Henriëtte Wessels–de Hoop) bezweek op 31 juli 1944 na anderhalf jaar Westerbork in Auschwitz. Zijn zuster Rebecca had op 1 februari 1941 zelfmoord gepleegd, zijn oudere broer Maup Auerhaan — kort daarna opgepakt bij de eerste razzia’s in Amsterdam op 22 en 23 februari 1941 — was al op 10 oktober 1941 in Mauthausen bezweken. De weduwe van Sam de Hoop (de jongste zoon van Joseph en Mietje) Hendrina de Hoop is op 23 april 1943 in Sobibor vermoord. Zij was de moeder van de eerder genoemde Lucie Baay–de Hoop en grootmoeder van de twee meisjes Rosenberg. De kleine Ellen kon onderduiken, de verraden Ineke Rosenberg keerde voor het leven getekend heel ziek uit Auschwitz terug (AH, p. 27; 130-132; 153–155; 185).

Jo en Lini van Os-de la Fuente, samen met zoon Bob op 9 juli 1943 vergast in Sobibor

Jo van Os (de oudste zoon van Abraham en Mina van Os-de Hoop), kantoorbediende, makelaar in koffie en later procuratiehouder, was getrouwd met de Sefardische Lini de Lafuente. Ze stonden geregistreerd als NI en PI (Portugees–Israëlitisch), maar leefden geassimileerd. Hun op tienjarige leeftijd overleden dochtertje was op het niet-Joodse Zorgvlied begraven.

Jo melde zich aan met vier Joodse grootouders (J4), als lid van de synagoge, en gehuwd met een Joodse vrouw. Bij razzia’s in de nacht van 6 op 7 mei 1943 werden Jo en Lini opgepakt, hun 23-jarige zoon paardenliefhebber Bob op 20 juni 1943. Ze vonden elkaar terug in Westerbork, van waaruit ze op transport naar Sobibor werden gezet en op 9 juli 1943 meteen na aankomst vermoord (AH, p. 70; 72–73; 150–151).

Zwijgen

Na de oorlog sprak niemand over Jo van Os en zijn gezin. Meerdere jongere familieleden hoorden pas van An Huitzing over het in-tragische lot van hun onbekende achter-oom. Sommigen ontdekten door haar dat ze deels Joodse voorouders hadden, ontdekten tot dan onbekende familierelaties. De ouders zwegen, om niet aan de oorlogsellende te worden herinnerd en ook om het de kinderen te besparen.

Een Joodse afstamming negeren is vaker beschreven, ook vóór WOII. Huitzing noemt de man van Cissy van Marxveld die tot Cissy’s afschuw alles deed om niet Joods te zijn en verwijst naar Hanny Michaelis die het de Joodse Jeanne van Schaik Willing kwalijk nam dat ze zo af gaf op Joden.
Het ontkennen en zich afzetten was niet zozeer vanwege afkeer van de oeroude religie, maar kwam naast de angst voor vervolging en het altijd aanwezige antisemitisme mede voort uit een grote tegenzin van de vroegere grote armoede van althans de meeste Asjkenasiche Joden.

Statuswijziging

Meerdere de Hoop nazaten voerden afzonderlijk acties om onder een Joodse achtergrond uit te komen. In het Fuik-boek is hier veel ruimte aan besteed. Willem de Hoop deed al vanaf maart 1941 navraag over zijn moeder Mietje Hesse en haar moeder Naatje de Wolf ter ondersteuning van de hardnekkige pogingen van zijn foute zoon Jo om als ariër te worden erkend (AH, p. 29–35).

Het lukte zeker niet altijd. Marie Wessels (de oudste dochter van Henriëtte Wessels–de Hoop) diende in helaas vergeefse pogingen om althans haar zoon Leo te redden, verzoeken in tot herziening van haar aanmelding als J4

“omdat ze zelf Arisch was, met een half-Arische vader en een vol-Arisch moeder”

(AH, p. 130-132).
De meerdere verzoeken van Jozef en Bertha Wessels-Dribbel en hun zoon Leo kwamen bij de Centrale Dienst voor Sibbekunde terecht en werden door de fanatiek Ludo ten Cate afgewezen omdat hij Jozef’s grootouders Joseph en Mietje als voljoods beschouwde. Calmeyer moest dit advies wel volgen; ze bleven J4 (AH, p. 92; 99).

De acties van advocaat Kymmell

Advocaat Anne Willem Kymmell (1949)

Een van de advocaten die door Joodse mensen werden ingeschakeld om bij de Duitse jurist Calmeyer ontheffing van hun Joodse status te bepleiten was Wim Kymmel (AH, p. 38–39). Vanaf november 1941 wist hij voor velen via de afstammingslijn een ‘ariër’-verklaring los te krijgen. Na een onderbreking omdat hij eind januari voor enige tijd gegijzeld was, (AH, p. 106–107) ging hij zich vanaf juli 1942 ook inzetten voor zijn schoonfamilie, de familie van Pam van Os, waarmee hij in 1929 was getrouwd (AH, p. 115–129).
Aanvankelijk trok hij niet zoals Willem de Hoop en de families Wessels en Dribbel de Joodse afstamming in twijfel. Zijn argumenten waren de gemengde huwelijken en de ‘politieke orientatie’ van de zoon van Pam’s oudere zuster Lidy, neef Harry Peters, die in die periode als SS’er aan het oostfront vocht. Kymmell schreef

“zo iemand kan toch geen Jood zijn”,

een reddend argument. Hij liet wijselijk weg dat Harry’s neef August van Rossum bij de RAF tegen de Nazi’s vocht en de neven Wim en Cees Prent in het verzet zaten. Voorlopig kwam de familie zolang het onderzoek liep op de Zurückstellungsliste zodat ze niet mochten worden opgepakt.

Om zijn volgend verzoek sterker maken zocht advocaat Kymmell naar meer bewijzen, naar mogelijke Arische voorouders, en schreef september 1942 de verder verwijderde familieleden hierover aan. Sedert een ruzie rond 1920 was de familie Van Joseph en Mietje uit elkaar gevallen maar nu ontstond er weer contact en de ruzies werden tijdelijk bijgelegd.

(Extra editie) Bekendmaking maart 1942: aan Joden is het huwen en buitenechtelijke geslachtelijke omgang met niet-Joden verboden

Zomer 1942 had oom Wim Kymmell al aan Pam’s neef Wim van ’t Vlie, de zoon van haar oudere zuster Mies, student economie, gevraagd om een stamboom te maken. Hij zocht daartoe gegevens bijeen bij het Amsterdamse gemeentearchief aan de Amstel.
Wim droeg geen ster en kwam daar makkelijk binnen. (Hij zou april 1943 zijn studie staken omdat hij de verplichte loyaliteitsverklaring niet wilde tekenen, en dook daarom vanaf toen af en toe onder).
Hij kreeg gegevens van 137 levende familieleden en aanverwanten bijeen, maar slechts 79 namen deel aan Kymmell’s gemeenschappelijke Calmeyer procedure. Sommigen dienden zelf een verzoek in, of hadden meer vertrouwen in onderduiken. Anderen noemden het verachtend een zelfvernedering om het Joods zijn te willen ontkennen.

Bastaarden

Kymmell bouwde nu ook de argumenten in die Willem de Hoop en de zussen Dribbel eerder al steeds naar voren schoven, en wel de grote twijfel over het Joods zijn van de beide stamouders. Hierboven al vermeld, maar nogmaals:

De in 1823 geboren stamvader Joseph Benedictus — zoon van de ongehuwde Sara Berclou — werd op elfjarige leeftijd geëcht door de Joodse Samuel de Hoop. Zijn stiefvader was nog geen vijftien jaar ouder en zeker niet zijn natuurlijke vader; die zou een ariër zijn geweest. Ook werd gesuggereerd dat Sara, met een niet Joodse Engelse moeder, geen Jodin was geweest (hoewel harde bewijzen ontbreken), dus was volgens de Joodse wet Joseph niet Joods.

De in 1831 geboren stammoeder Mietje — het kind van de ongehuwde Naatje Wolff — werd op veertienjarige leeftijd geëcht door Wolf van Hesse. Naatje was vóór haar huwelijk ‘niet in het jodendom opgenomen’ en werd Arisch genoemd. Vanwege haar Joodse stiefvader werd Mietje als Joods beschouwd, de ariër Johannes Kerpesteijn, getuige bij Mietje’s geboorte, zou echter haar natuurlijke vader zijn geweest. Omdat volgens de Neurenberger wetten het bloed van de vader prevaleert, was Mietje dus geheel Arisch.
Kymmell negeerde uiteraard het sterke tegenargument dat de arme Kerpesteijn — veertig jaar ouder dan Naatje — omdat hij kon schrijven voor wat geld bij wel dertig aktes als getuige optrad (AH, p. 10; 14–18; 44–45; 95).

Op 6 oktober 1942 diende Kymmel zijn verzoek in, vol informatie waarom 79 nazaten van de stamouders de Hoop en aanverwanten minder Joodse grootouders hadden dan eerst bij Vo 6/41 was opgegeven. Op 11 december 1942 is dit in den Haag met Hans Calmeyer door gesproken. Calmeyer kreeg vaker ‘bewijzen’ over natuurlijke niet-joodse vaders, maar Kymmell’s argumenten waren vrij overtuigend en Calmeyer nam dit over.
Hij noemde Joseph de Hoop voor een kwart Joods en Mietje de Hoop-van Hesse half Joods en gebruikte voor hen de achternamen van hun moeders, niet die van hun Joodse stiefvaders. Hij stemde met Kymmells voorstel in! Als doorslaggevend werd genoemd dat de kleinzoon van Willem de Hoop, de SS’er Willi de Hoop aan het oostfront gewond raakte en in Riga werd verpleegd. Door Calmeyers positieve beslissing kon een status veranderen van J4 naar G-I, van G-I naar G-II, of van G-II naar niet aanmeldingsplichtig. Hierdoor konden Kymmell’s vrouw Pam, haar zusters en broer Lou van Os, net al hun moeder Mina Van Os-de Hoop nu hun ster afdoen. Ze overleefden de rest van de oorlog als ‘niet-joods’. Wel moest Kymmell een aantal familieleden van zijn lijst schrappen omdat hun bewijzen niet voldoende verdedigbaar waren (AH, p. 135–138; 172-174).

An Huitzing beschrijft vervolgens uitvoerig wat het Calmeyer besluit voor de verschillende families inhield. Waaronder het verhaal van Maurits Wessels, die februari 1943 het pand Prinsengracht 263 kocht waar de familie Frank zat ondergedoken. Zo is een de Hoop nazaat in Anne’s dagboek genoemd. Op 27 februari 1943 schrijft  Anne over de nieuwe huiseigenaar en zijn bezichtiging van het huis. Door Maurits Wessels in 1953 aan Otto Frank verkocht (AH, p. 192–193).
Dit moet de lezer echt zelf tot zich nemen.

Ook moet men zeker zelf de thriller lezen hoe juli 1943, een half jaar na Calmeyer’s positieve besluit, bijna alles alsnog dreigde mis te gaan toen SS’er Harry Peters in zijn poging om uit de nazidienst te worden ontslagen onbewust de familie in gevaar bracht door een afstammingsonderzoek startte in de hoop juist wel een Joodse grootouder te vinden. De fanate Ludo ten Cate ging daarop hardnekkig achter de familieverhalen aan, waardoor vervolgens ook Willy Lages de dossiers de Hoop wilde inzien. Hoe liep dit op het nippertje toch nog goed af? (AH, p. 168-172; 180–184).

Spartelend met afstammingsverhalen dan wel -fantasieën zijn zo veel Joseph en Mietje nazaten aan de dodelijke Vo 6/41 fuik ontkomen.

Aanbeveling

An Huitzing’s veelzijdige boek is buitengewoon interessant. Alleen al omdat zelden met zo vele feiten onderbouwd het over drie, vier generaties uiteen waaieren van een familie is beschreven, met de snelle overgang van armoede in de Jodenbuurt naar welstand, van niet kunnen schrijven naar academisch niveau.

Het Fuik-boek beschrijft mensen die Joods bleven en de velen die niets meer (wilden) weten van een Joodse origine, vertelt over drie foute zwarte schapen en de heldendaden van hun neven en achterneven in het verzet.

Daarnaast wordt een duidelijk inzicht gegeven in de rampzalige nazi verordening Vo 6/41 en in de verwarring bij het bepalen wie bij al die gemengde huwelijken nog wel, wie niet meer Joods was.

Spannend is verhaal hoe zo’n 80 De Hoop nazaten met behulp van hun aangetrouwd familielid advocaat oom Wim Kymmell aan de Vo 6/41 fuik wisten te ontsnappen, hoewel het daarna toch bijna mis ging.

Het enige punt van kritiek is dat er wel erg veel bomen in het de Hoop bos staan.
An Huitzing’s boek, voorzien van vele noten en uitgebreide literatuur opgaves, biedt een welkome aanvulling op de geschiedenis van Joodse Nederlanders en verdient zeker aandacht.

  • Introductie op ‘Spartelend aan de fuik ontkomen’. Geraadpleegd op 2021-05-01 van https://issuu.com/anhuitzing/docs/presentatie_spartelend_voor_issuu_defin_versie.
  • Huitzing, A. & Becker, T. (2017). Op de foto in oorlogstijd Studio Wolff, 1943. Eindhoven: Lecturis.
  • Huitzing, A. (2021). Spartelend aan de fuik ontkomen. Eindhoven: Dato, Lecturis.
  • Jessurun d’Oliveira, H.U., Ed.; Köbben, A.J.F., De Swaan, A., Jessurun d’Oliveira, H.U., Cohen, J., Venema, D., Roede, M.J. (2015) Ontjoodst door de wetenschap. De wetenschappelijke en menselijke integriteit van Arie de Froe tijdens de bezetting. Amsterdam: Amsterdam University Press.

[1] Bron: Jodenster (1942) Nederland
[2] Bron: Hans Calmeyer
[3] Bron: Op 6 januari 1945 gevallenen Hildo Krop
[4] Bron: Voorlopig aanmeldingsbewijs voor ‘personen van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede’

was na een studie aan de UvA op Curaçao werkzaam als marien bioloog, en als humaan bioloog bij het Instituut voor Antropobiologie, Medische Faculteit Utrecht en vervolgens bij de Vakgroep Gezondheidsethiek en Wijsbegeerte, Universiteit Maastricht.

Schrijf een reactie