Daan de Boer
Deel 1 – deel 2 – deel 3 – deel 4 – deel 5
Naar een Ethiek van Dynamisch Leven
en een Dynamische Wetenschap – deel 1

Voordat ik op het thema ‘Fenomenologie van Chronische Pijn’ aan de Erasmus Universiteit Rotterdam ben afgestudeerd, heb ik tijdens mijn stage bij de Quest for Wisdom foundation (QfWf) en na het schrijven van mijn stageverslag voor de QfWf, een herwaardering ontwikkeld voor het werk en denken van Levinas, voor diens primaat van de relatie met de Ander, en het concept van ‘Oneindigheid’. In vijf delen volgt hier mijn onderzoek ‘naar een Ethiek van Dynamisch Leven en een Dynamische Wetenschap’, waarin de Oneindigheid centraal staat.
Voorwoord naar Oneindigheid
In ‘Voorwoord naar Oneindigheid; Naar een Ethiek van Dynamisch Leven en –Wetenschap’ staat niet zozeer de vraag centraal hoe het stabiele, rigide zijnsdenken omgebogen kan worden naar een dynamisch, onnavolgbaar procesdenken, maar waarom het leven en de wetenschap om een dergelijke verandering vragen – of beter nog: smeken.
Ik ben een consistent denker, en voor mij ligt de samenhang tussen dingen in de manier waarop zij niet met elkaar samenvallen; en dat wat het ding bijeen houdt, zijn niet de delen waar zij uit bestaat, maar haar veranderlijkheid. Het ding verandert niet op basis van Logos, maar de veranderlijkheid van het ding leidt tot de voorstelling van Logos. Met andere woorden: de veranderlijkheid betreft het centrum van alles, en de zichtbare patronen van de werkelijkheid reflecteren daarom slechts een gedeelte van de natuur.

In het leven en de wetenschap ligt de nadruk al duizenden jaren op één dimensie van de werkelijkheid: zijn; de voorstelling van Logos, maar wat ligt daaronder? Voor mij luidt het antwoord: veranderlijkheid; het ding verandert niet, want dat zou zijn veronderstellen, maar wat verandert, verandert. ‘Voorwoord naar Oneindigheid; Naar een Ethiek van Dynamisch Leven en –Wetenschap’ betreft een beknopte samenvatting van veranderlijkheid als primair ten opzichte van zijn, met als toevoeging een vereniging tussen het leven en de wetenschap. In plaats van de twee los van elkaar te denken, zoals al vaak genoeg gebeurt, dient het stuk als een samensmelting van werelden met houdingen die ogenschijnlijk ver van elkaar verwijderd liggen.
Ik hoop op deze manier een voorbode van een ethiek te formuleren die voorbij gaat aan het bestaan van dingen, en recht doet aan het voltrekken van verandering. Dat betekent niet dat dingen niet bestaan, maar wel dat er meer bestaat dan slechts dingen: de wereld betreft, zodoende, geen verzameling van dingen, maar van processen, alhoewel ‘processen’, gezien de etymologie van het woord, doelmatigheid veronderstelt. Ik heb er daarom voor gekozen om ‘processen’ te vervangen voor verandering, maar ‘verandering’ veronderstelt traceerbaarheid. Ik vind daarom ‘verandering’ ook geen geschikte term. Ik geloof dat de veranderlijkheid en de onnavolgbaarheid van de natuur enkel en alleen samenkomen bij het woord: oneindigheid.
In dit vijfdelige onderzoek zullen ‘proces’ en ‘verandering’ veelvuldig voorbijkomen, maar weet dat het altijd gaat over oneindigheid. Ik zal het concept van oneindigheid beschrijven, toegepast op zowel het leven als de wetenschappen; het nawoord kan zowel gelezen worden als een samenvatting van de kerngedachte, als een woord vooraf – een voorwoord van een voorwoord van een voorwoord, dus.
“Je ne suis pas une Table!”
x = x = ¬y; nog altijd betreft deze ogenschijnlijk logische vergelijking de modus operandi van zowel het dagelijks leven als de wetenschap: als x, x is, dan is x, geen y, want als x, naast x, ook nog y zou zijn, dan zou x, x + y zijn, en dan klopt de vergelijking niet meer. Het is daarom dat wij dingen van elkaar onderscheiden: het boek (x) ligt op de tafel (y), en omdat het onmiskenbaar twee dingen zijn met verschillende eigenschappen, trekken wij de conclusie dat het boek, het boek is, en niet de tafel; x = x = ¬y, dus.
In het gebruik van een lichtmicroscoop doet eenzelfde situatie zich voor, gewoon ter explicatie: op zoek naar microscopische organismen (x) wordt al het andere – biofilm, maar ook niet-biologisch materiaal, ¬x, oftewel y, en dus geldt ook hier: x = x = ¬y; microscopische organismen zijn microscopische organismen, en niet de omgeving waar zij onderdeel van zijn. Ik noem deze manier van denken stabiel, rigide zijnsdenken; het vormt het fundament voor hoe wij de werkelijkheid benaderen, ongeacht het domein.

In mijn stageverslag voor de stichting Quest for Wisdom – in de lente 2026 – stond onbewust al een verwerping van x = x = ¬y centraal, met name toegespitst op de relatie tussen het Ego en de Ander. De stelling x = x = ¬y kan namelijk eenvoudig omgebogen worden naar Ik = Ik = ¬Jij, zoals ook gebeurt in het voorwoord van Mille Plateaux (1980) van Deleuze en Guattari, door Massumi, wat raakt aan de manier waarop wij doorgaans naar anderen kijken. Ik ben Ik, en omdat Ik, Ik ben, kan Ik geen Jij zijn; daarnaast komt deze vergelijking overeen met de ervaring van het dagelijks leven. Ik (x) ben mijzelf (x), en niet Jij (y); x = x = ¬y; dus, wat gevoelsmatig een terecht onderscheid lijkt, zoals bijvoorbeeld duidelijk wordt tijdens het voeren van een dialoog. Ik beargumenteer echter, met behulp van Levinas’ Totalité et Infini (1961), anders; de relatie tussen het Ego en de Ander blijkt nog lang niet zo eenvoudig, wat wellicht een open deur lijkt – want dat mensen complex zijn, lijkt mij geen geheim; maar soyez indulgent.
Ik heb de vergelijking toentertijd ter discussie gesteld om aan te tonen dat de grenzen tussen dingen, en zo ook tussen het Ego en de Ander, helemaal niet zo streng zijn als wij doorgaans ervaren, en zoals wij nog altijd wetenschappelijke kwesties benaderen. Met andere woorden: het kunstmatig oprekken van de ervaringsgrenzen lijkt noodzakelijk om de conventionele grenzen van de werkelijkheid te doen laten vervagen. Ik geloof dat een dergelijke oefening niet alleen een meer authentieke relatie tussen het Ego en de Ander mogelijk maakt, maar tevens leidt tot een meer levendig wereldbeeld, dat overspoeld wordt met nieuwe mogelijkheden, toepasbaar op zowel het leven als de wetenschap; en, wat mij betreft, meer recht doet aan de natuur van de werkelijkheid.
Ik zal aan de hand van Totalité et Infini aantonen dat zelfs het door Deleuze en Guattari bekritiseerde ‘x = x = ¬y’ geen recht doet aan de aanvankelijk problematische relatie tussen het Ego en de Ander. Daarna, zal ik vervolgens duidelijk maken dat de relatie tussen het Ego en de Ander ook anders gedacht kan worden – met behulp van zowel L’Anti-Œdipe (1972) als Mille Plateaux van Deleuze en Guattari. Deze manier van denken (en handelen!) beperkt zich echter niet tot de relatie tussen het Ego en de Ander, maar veronderstelt een, wat mij betreft, belangrijk en onmisbaar wereldbeeld voor de toekomst, zeker gedurende tijden van solisme, laissez faire-denken, en een platgeslagen wetenschap die nog altijd onvoldoende recht doet aan de oneindigheid (onvoorspelbaarheid, complexiteit) van de werkelijkheid.

In het slot van dit onderzoek zal daarom de nadruk liggen op een ethiek die logischerwijs voortvloeit uit een dergelijke manier van denken, welke ook een nieuwe kijk biedt op vrijwel alle wetenschap – de (moleculaire) biologie en de natuurkunde worden als voorbeeld besproken, en ook mijn eigen specialisme, neurowetenschap, komt aan bod. Ik vat hiermee kort een jarenlange denkontwikkeling samen met mijn fascinatie voor ontologie, emergentie, sociologie, wetenschapsfilosofie, systeemwetenschap, en (moleculaire) biologie, die gesynthetiseerd worden tot een overkoepelend raamwerk; Dit dient niet alleen als een uitgangspunt voor toekomstbestendig wetenschappelijk denken, maar kan tevens bijdragen aan de vraag naar goed, menselijk handelen.
In de eerste plaats dient het stuk namelijk als een oproep tot verder denken; mij rest daarom enerzijds nederigheid – het stuk beschrijft een werkelijkheid, en niet de werkelijkheid, en anderzijds vastberadenheid – het stuk doet een poging om de werkelijkheid te benaderen vanuit een perspectief dat al (veel) langer dan vandaag bestaat. Je zou de oorsprong van een dergelijke manier van denken kunnen herleiden tot de pre–socratische periode, naar Heraclitus – alhoewel er ook cruciale verschillen zijn. Fragment 74 uit Fragments of Heraclitus (1920), vertaald door Burnet, stelt: “Wij zouden ons niet moeten gedragen als kinderen die van hun ouders leren,” en dient als het uitgangspunt van de hier gepresenteerde ethiek van dynamisch leven en –wetenschap; waarom? dat zal vanzelf duidelijk worden.