Japanse dichtvormen: Tanka’s en Rensaku’s

0

Simon Buschman

Uit: lezing 2007

De bakermat van de tanka (‘kort lied’) ligt in de Japanse cultuur van rond de vijfde/zesde eeuw. De tanka is een gedicht van vijf regels met 5-7-5-7-7 lettergrepen, zonder bedoeld rijm of een vastgestelde maat. In een tanka valt een gevoelsuiting samen met een natuurbeeld of worden emoties gewekt door natuurimpressies. Een tanka kan ook een overpeinzing of beschouwing bevatten. De tanka dichtvorm mag vooral niet gekunsteld aandoen.

Twee tanka’s uit de Manyoshu, 500-750[1]

Heel die lange nacht,
lang als de slepende staart
van een bergfazant
die langzaam, langzaam voortschrijdt
– moet ik weer eenzaam slapen?

Kakinomoto no Hitomaro (± 690)
Otomo no Tabito[6]

Nu ik terug ben
in dit grote, stille huis
– jij bent er niet meer –
is het zoveel droeviger
dan toen ik lang op reis was.

Otomo no Tabito (665-731)

Vier tanka’s uit de periode 860-1850

Nu slaan de regens
en sneeuwbuien aldoor neer
– ik kan niet slapen;
maar kijk hoe vluchtige rijp
zich weer vormt in de morgen.

Izumi Shibiku (970-1030)

Als een kraanvogel,
rustend in ’t moeras, opeens
één luide kreet geeft,
gaan alle watervogels,
opgeschrikt, ook aan ’t roepen.

Zenpriester Saigyo (1118-1190)

Over de bloesems
blijft de gloed van de avondzon
nog even glanzen;
al gaat de zon niet onder,
langzaam vermindert het licht.

Kyogoku Tamekane (1254-1332)

Regen en hagel
zijn anders dan sneeuw en ijs,
maar als zij vallen
worden ze hetzelfde water
van de stroom in de vallei.

Zenmeester Sojun Ikkyu (1394-1481)

Twee tanka’s

Taigu Ryokan[7]

Vanuit een bergspleet
vloeit tussen de mossen door
wat helder water;
even stil en ongezien
wilde ik de wereld door.

Zou iemand vragen
wat er omgaat in deze monnik,
antwoord hem dan maar:
niets meer dan wat in de lucht
de wind te vertellen heeft.

Zenpriester Taigu Ryokan (1759-1831)[2]

Twee tanka’s uit de periode 1850-1950

Ik denk aan een steen
die in mijn oude dorpje
aan de wegkant lag;
en ik denk: ligt hij daar nog,
dit jaar, verborgen in ’t gras?

Ishikawa Takuboku (1885-1912)

Al wie in zijn hart
liefde omdraagt is droevig;
eindeloos ontspringen
altijd weer nieuwe wolken
diep uit de hoge hemel.

Yosano Akiko (1878-1942)

Twee tanka’s van nu

Heel deze morgen
hangt dichte mist boven zee;
nergens golvenspel,
geen speelse meeuwenroep, maar –
hoe helder ruist de branding.

Yukitsuna Sasaki

Ik loop in de tuin
– zomer – en pluk een tomaat
voor bij het ontbijt.
Hoe onverwoordbaar weet ik
dat ik hier echt thuis ben.

Tawara Machi [3]

Nederlandstalige tanka’s [4]

Hoe ze wegvliegen
heel de tuin door, licht en wit
in de voorjaarsbries;
nooit stond zo overvloedig
de oude jasmijnboom in bloei.

J. van Tooren (1900-1991)

Nu de schemer valt,
worden in de achtertuin
sparren tot schimmen.
Maar de dingen van vroeger –
hoe duidelijk zie ik ze.

Pauline Regensburg (1914-1993)

Ik maakte oden, (traditioneel Japans gerecht)
die vrieskoude avond,
maar de kinderen,
ze wisten helemaal niet
dat ik zo’n heimwee had.

Yasuko Nederkoorn-Kimura

Voor het laatst voorgaand
neemt de dorpspastoor afscheid,
zonder opvolger;
gebrandschilderd morgenlicht
valt op zijn sneeuwwitte haar.

Paul Vyncke

Hoog in de lucht
gaan vogels naar waar jij woont –
hun halzen gestrekt.
Ik kijk ze na, kijk ze na,
vastgenageld aan de grond.

Truus de Fonkert

Handjes op de rug,
voetjes stevig in het zand,
bijna in tranen;
in elke volgende golf
gaat meer kasteel verloren.

Ada Suir

Zelfs waterjuffers,
zo blauw als zomerluchten,
bezoeken mijn tuin –
in het diepst van mijn ziel
zou ik wel blauw willen zijn.

Paul Claessen

Kon ik zijn als jij,
glanzende parelduiker
op het wijde meer –
duiken en bovenkomen,
rusten in de warme zon.

Joke Ophoff- Beukema

Hoe hield hij hiervan:
wilde wind in de bomen,
dreiging van regen.
Nu strooi ik wat bloesemblaadjes
op het deksel van zijn kist.

Hans Reddingius

Nu jij weer weg bent
hoor ik, alleen met de nacht,
hoe nog uren lang
in de as van het haardvuur
telkens iets even ritselt.

Greet van Dooren

Drie tanka’s

Daar – aan droogstokken
hangen ze, buiten bereik
van de zilte zee,
maar hun krachtige staarten
zijn nog altijd van het water.

Vóór de eerste vorst
zinken ze in winterslaap,
vrij van tijdsbesef.
Niemand heeft meer weet van hen,
tot ze herleven, kwaken.

Even zoek ik steun
bij je grafsteen, marmerwit,
blinkend in de zon.
Ooit zat ik op je schouders
en vertelde honderd uit.

Simon Buschman (voor vader Buschman)[5]

Na de maïsoogst
liggen – tussen dorpen door –
de velden open;
in het licht glooiend landschap
staat hier en daar een steeneik.

Simon Buschman

De woestijnstorm luwt;
mijn lange weg – ontdaan nu
van voetafdrukken.
Ik overzie het landschap,
haal diep adem en ga voort.

Simon Buschman

Rensaku’s

Een rensaku (een tanka-suite) met vijf tanka’s van Saito Mokichi (1882-1953).
Mokichi schreef deze rensaku in 1946, een jaar na WO II.
Zij wordt beschouwd als een van de hoogtepunten in zijn rensaku-oeuvre dat 17 dichtbundels bevat.
(Vertaling uit het Engels: Simon Buschman)[6]

Schuimkoppen op de golven – foto Gonnie van de Schans[8]

Schuimkoppen op de golven

Niet langer trekken
de vluchten wilde ganzen
langs weidse luchten;
sneeuw dwarrelt neer, er lijkt maar
geen einde aan te komen.

Kleinzoon! – geboren
in de voorbije lente,
o, kleinzoon van me,
hoe bemind, zozeer bemind –
ik kreeg je nog niet te zien.

Onder een sneeuwlucht
daalde de schemering neer
tot waar roerige,
met schuim gekopte golven
oprijzen uit de Mogami.

Zou het voorjaar zijn,
dan keren ook, telkens weer,
de lijsters terug;
aan de voet van moerbeibomen
komt de sneeuw almaar hoger.

Na een zwaar leven
ben ik, zoals zovelen,
een en al verdriet;
waarachtig, mijn wenkbrauwen
zijn er wit van geworden.

Aan het firmament

Het werd een zomer
dat de dagen vol van zon
en leegte waren,
dat ik aan het open raam
avonden ochtend zag worden.

Vanmorgen liep ik
langs een uitgestrekte zee;
in de kalme gang
van wolken leken meeuwen
van wit vervuld te raken.

Van lang geleden
ken ik het regenwonder:
de woestijn in bloei!
– even die uitbundigheid
als toen ik nog een kind was.

Verstreken uren
van een maanverlichte nacht,
de silhouetten
die weer populieren worden;
nu almaar rillend ruisen.

Boven de woestijn
glimpt het firmament; sterren
met hun verhalen
van wat plaatsvond in de tijd:
ons resten slechts fragmenten.

Saito Mokichi[9]

Moeder is stervende

Het blad aan de boom
rilt bij elk zuchtje wind
– in de volle zon,
dan weer als de lucht betrekt –
zo onrustig is mijn hart.

Terwijl ik me haast,
houdt slechts deze ene wens
me almaar bezig:
nog eenmaal haar ogen zien!
Het zweet staat op mijn voorhoofd.

In de morgenkou
zet zich rijp af op het blad
van de moerbeiboom;
intussen snelt de trein voort,
weet ik moeder dichterbij.

Ik die van ver kom
breng haar nu medicijnen;
met haar blik volgt ze
wat ik doe en waar ik ga
– vanaf dat ik haar kind ben.

Liggend naast moeder,
haar dood zo dichtbij, hoor ik
van ver de kikkers;
hun roep echoot door de hemel,
het gaat me door merg en been.

Wij, de levenden,
zijn bijeen rond haar sterfbed
en zien hoe moeder
afscheid van het leven neemt,
haar leven loslaat, doodgaat.

Ik ga naar buiten –
en breng dan enige tijd
in de ruimte door
waar zij zijderupsen hield;
die volstrekte eenzaamheid.

Wij dragen het vuur
waarmee moeder verbrand wordt
in ons midden mee;
aan de hemel is nergens
enig teken van leven.

Dieper valt de nacht –
en al die tijd staren wij
in het brandend hout
waaruit vlammentongen
oplichten, in één groot vuur.

Uit de asresten
zoeken wij moeder bijeen;
in het morgenlicht
– de zon rijst aan de hemel –
zoeken wij moeder bijeen.

Zie, hoor: een leeuwerik
klimt voluit, almaar zingend
hoog de hemel in;
boven besneeuwde toppen
staat een wolkenloze lucht.

Waar nog bloesem bloeit,
her en der maar flets van kleur,
schuiven langs bergen
vlagen trage mist – of het
voor altijd zo zal blijven.

De regen slaat neer,
aanhoudend, meedogenloos,
tot het gebergte,
waar ik van jongsaf aan veel ben,
in een rode gloed komt staan.

In het gebergte
eet ik de eerste scheuten
van een bamboestruik.
O, mijn betreurde moeder,
o, moeder, zo diep betreurd.

Saito Mokichi (1882-1953)

Sato Sataro, een van zijn meest begaafde tanka-leerlingen en ook dichter van rensaku’s, zei over Mokichi: “Je kunt Saito Mokichi nauwelijks los van zijn tanka’s zien. Hij leefde in zijn tanka’s, zijn leven is gevat in rensaku’s.”

Wij, mijn broer en ik,
zitten samen, hebben het
over van alles.
In onze stemmen klinken
die van onze ouders door.

De witte bloemen
van een magnoliaboom
in de schemering;
slechts dit enkel moment weet
al mijn smart te verhullen.

Twee veel geciteerde tanka’s van Saito Mokichi (uit twee rensaku’s)

Een selectie uit een rensaku (een tanka-suite) met 59 tanka’s. De Engelse vertalingen zijn van: Amy Vladeck Heinrich. Vertalingen uit het Engels: Simon Buschman.

Mieren

mierenhoop[10]

Een zomerse dag –
rond de mierenhoop gonst het
van bedrijvigheid;
langs vaste aanvoerlijnen
komen dode naalden aan.

Een stratenmaker
wipt behendig tegels op,
woelt de aarde los;
in een handomdraai verdwijnt
een stelsel oude gangen.

mieren[11]

Een lint mieren trekt
naar en van een suikerklont,
heel de middag al;
als bij noodlot pikt een merel
er steeds eentje tussenuit.

De regen striemde
uren op de mierenhoop,
tot diep in de nacht;
de naaldenheuvel glinstert
in de koele morgendauw.

Zoals ook elders
gaan mieren hier zigzaggend
door het strooiveldgras;
of zijn steevast onderweg
met een bleke korrel as.

Een grindtegelpad –
in de voegnaden liggen
witte stulpjes zand;
mieren schichten in het rond,
schijnbaar doelloos, lijkt het soms.

Op woensdagmiddag:
uitgelaten rennen ze
voor hun ouders uit;
steken met dorre takken
lukraak in de mierenhoop.

Jarenlang zocht ik
in landschappen hun weidsheid
en vergezichten;
later pas drong tot me door
waar een mierenhoop voor staat.

Ze zijn zo zeker –
voelsprieten, ranke lijfjes,
reeksen aan codes;
maar een mierenschets geven
vraagt jarenlang kijken, zien.

Een huis in het bos –
licht winterlicht en linden,
stuifsneeuw op het gras;
naast een breedvertakte spar
gloort een mierenhoop, in rust.

Simon Buschman

Het moment dat komt, aan J. van Tooren 1900 – 1991

Het kan morgen zijn
of op elke lentedag
dat een weilandwilg,
laag van stam en aan de sloot,
weer een waas van leven krijgt.

Laat het morgen zijn
of de weken, hoog van zon,
dat een weilandwilg,
aan de sloot en laag van stam,
zonlicht vangt en schaduw geeft.

Is het morgen al
of bij avond in de herfst
dat een weilandwilg,
laag van stam en aan de sloot,
blad verliest aan uren storm.

Morgen zal het zijn
of in deze winternacht
dat een weilandwilg,
aan de sloot en laag van stam,
ieders sterven sterven gaat.

Simon Buschman

Tanka voor zenmeditatie

zazen[12]

Kalm op de vleugels
– almaar roepend naar elkaar –
keren ze terug;
achter de vale duinen
het ruisen van de branding.

In het oude grindpad
liggen ze zomaar dooreen,
zwart en wit en grijs;
ook deze zaterdag weer
als de tuinman is geweest.

Op beide schouders
van de vogelverschrikker
staat een bonte kraai;
in de straffe noordenwind
houden ze daar dapper stand.

Zoals elke nacht
staat de straatverlichting
trouw haar werk te doen;
bijgestaan – bij volle maan –
door grootse witte wolken.

De woestijnstorm luwt;
mijn lange weg – ontdaan nu
van voetafdrukken.
Ik overzie het landschap,
haal diep adem en ga voort.

Guur en groots, het stormt;
riet geeft diep, steeds dieper mee
en uit ruw water
komen golven op, hoger –
breken in datzelfde riet.

———–

Alles vindt zijn plaats
― het weidse water, deze rivier,
haar bedding, oevers,
haar gang door heel dit landschap ―
uitmondend, ergens, in zee.

Simon Buschman
  • Haiku – Een jonge maan, vertaald, ingeleid en toegelicht door J. van Tooren
  • Senryu – De waterwilgen, idem J. van Tooren
  • Tanka – Het lied van Japan, idem J. van Tooren
  • Hoog uit het blauw, van Tooren en Smon Buschman
  • Liefde rond, liefde vierkant – Zeven eeuwen Koreaanse poëzie, vertaald, ingeleid, toegelicht door Frits Vos
  • Als dauw op alsembladeren – Het verhaal van een Japanse vrouw uit de elfde eeuw, idem Frits Vos
  • Een nieuwe vijver – Gedichten van de excentrieke Zen-priester Ryokan (1759-1831), idem Frits Vos
Noten

[1] Tenzij anders vermeld zijn onderstaande tanka’s uit Van Tooren, J. (1983) Tanka – Het lied van Japan. Inleiding en vertaling; met een voorwoord van Frits Vos. Amsterdam: Meulenhoff. 
[2] Ryokan (1996) Een nieuwe vijver, Gedichten van de excentrieke Zenpriester Ryokan, vertaling: Frits Vos. Amsterdam: Meulenhoff.
[3] Vertaling: Vande Walle, Willy en Bart Mesotten (1989) De dag van het slaatje. Tielt: Lannoo.
[4] In: Buschman, S. , Adri van den Berg, Karel Hellemans (1995) Tussen twee oevers. Amsterdam: De Beuk. De bundel bevat 130 tanka’s (en kyoka’s, de tegenvoeter van de tanka; ook 5-7-5-7-7 lettergrepen) van 56 auteurs.
[5] Uit: (1995) Steden in de tijd. Amsterdam: De Beuk. 
[6] Uit: Buschman, S. (1996) Fragmenten, bibliofiele uitgave. Woubrugge: Avalon Pers.
[6] Bron: Otomo no Tabito (大伴旅人,c. 662-731 was a Japanese poet in ancient time. This picture was drawn by Kikuchi Yosai(菊池容斎) who was a painter in Japan.
[7] Bron: Taigu Ryokan
[8] Bron: schuimkoppen
[9] Bron: Saito Mokichi
[10] Bron: mierenhoop
[11] Bron: mieren op weg
[12] Bron: zazen

verzorgde samen met 50-90 medeauteurs zeven boeken over levensthema’s. Ter afsluiting van deze reeks: Langszij de tijd – Opgaan in vergetelheid. Hierna stelde hij uit eigen tanbuns, renga’s, haibuns een bundel samen met ruim 175 teksten. Bij een vijftiental schreven vier medeauteurs persoonlijke reflecties.