Japanse dichtvormen: Frits Vos

0

Simon Buschman

Uit: lezing 2007

Vol liefde zijn zijn diepe ogen

In het sterven van je vrienden
komt je eigen dood dichterbij.

In NRC/Handelsblad van 4 februari 2000 betreurt Rudy Kousbroek het zeer dat Frits Vos (1918-2000) nooit zijn memoires heeft geschreven. Zijn leven, werkzaamheden en ervaringen hebben alle aanleiding gegeven voor een autobiografie, betoogt hij. Naast dat hij een nationaal en internationaal hoog gewaardeerd wetenschapper was, kon Frits namelijk ook prachtig schrijven. Helder, duidelijk formulerend in gedegen Nederlands, met gevoel voor stijl. Persoonlijk vind ik één van zijn mooiste beschouwingen Schoonheidservaring in de Japanse en Koreaanse poëzie (1981).

In deze verhandeling vraagt hij zich af wat in Japan en Korea als schoonheid wordt ervaren, op welke wijze deze wordt ondergaan en hoe deze beleving tot uitdrukking wordt gebracht, met name in de klassieke dichtvormen tanka en sijo. Frits noemde in dat verband twee van zijn favoriete verzen: een Japanse tanka (‘het korte lied’ – 5 regels met doorgaans 5-7-5-7-7 lettergrepen) en een Koreaanse sijo (‘het geliefde lied’ – drie langgerekte regels die elk bestaan uit twee gedeelten met tezamen 12 tot 20 lettergrepen):

edelhert[1]

De kreet van het hert
dat zich een eigen weg zoekt
door roodgekleurd blad
diep in de bergen – hoor ik het,
hoe droef is dan deze herfst.

Anoniem, Kokinshu 215

Als op de weg die ik in dromen ga
mijn voetstappen bleven afgedrukt,
hoe zou buiten jouw venster
het stenen pad dan slijten!
Helaas! Er zijn geen voetstappen
op droomwegen – dat stemt mij zo droef.

Paekchu Yi Myonghan, 1595-1645

Rudy Kousbroek zet in het genoemde In Memoriam Een groot verteller uiteen hoe Frits in taal zijn ziel kon leggen: “Vertel mij een verhaal en ik zal u zeggen wie u bent.” Hij was niet alleen onderhoudend, spits, erudiet en op zijn tijd zeer kritisch, hij stal de harten met zijn gevoel voor humor, droge humor vooral. Zijn zinswendingen, vooral op momenten dat je het niet verwachtte, tekenden hem. Een voorbeeld. De bekende Japanse dichtvorm haiku bestaat uit drie regels met doorgaans 5-7-5 lettergrepen. Op een haiku bijeenkomst in 1985 werd Frits gevraagd, of hij een sterk voorstander was van deze 5-7-5 lettergrepenstructuur. Die (eeuwenoude) discussie woedde toen ook daar. “Min of meer”, antwoordde hij. “Ik ben er min of meer een sterk voorstander van, maar of ik me er ook sterk voor zou willen maken is iets anders.” En: “Professor, als u een verre reis van een maand kreeg aangeboden en u mocht slechts één boek meenemen, welk boek zou dat zijn?” – “Mijn Waarde, dan bleef ik liever thuis.”

Frits is vanaf het begin betrokken geweest bij de Haiku Kring Nederland (HKN) en het tijdschrift voor Japanse dichtvormen Vuursteen en had een warme belangstelling voor het Haikoe Centrum Vlaanderen (HCV). Tijdens de HKN-oprichtingsbijeenkomst op 18 mei 1980 te Utrecht hield hij een rijk gedocumenteerde voordracht over Westerse Haijin, haiku-pioniers. Met de haiku van de Mexicaan José Juan Tablada (1871-1945) aan het begin van zijn betoog had hij direct de aandacht van alle aanwezigen:

schildpadden – foto Miny Verberne

Hoewel zij nooit verhuist,
gaat zij hotsend als een verhuiswagen
over de weg – de schildpad.

Dat was zijn kracht. In één beweging recht naar het hart van de toehoorder en de lezer; en dat op een kalme, licht onderkoelde toon of met een rustige zinsopbouw, toewerkend naar een apotheose. Een zeer begenadigd spreker en schrijver. In genoemde haiku lag ook veel van zijn levensopvatting besloten: “Wij zijn steeds maar onderweg. Iedereen volvoert een levenslange verhuistocht in het hier en nu – een schijnbare paradox – zonder dat wij ons dit (in voldoende mate) realiseren; ook niet weten hoe zwaarbeladen wij soms zijn – en hoe slecht geëquipeerd voor onze last. Dit alles in de fraaie metafoor van een schildpad, levend in zijn beenachtige koker. Deze haiku past in de zenboeddhistische traditie, ademt er de onbevangen lichtvoetigheid en vooral diepgang van. Een wereld in drie regels.”

Frits stond tijdens de oprichtingsbijeenkomst ook een moment stil bij zijn twee meest dierbare haiku’s:

Een lentebriesje –
her en der reppen ze zich,
de zeilscheepjes.

Hendrik Doeff, 1777-1835

De octopuspot,
een vergankelijke droom
onder de zomermaan.

Matsuo Basho, 1644-1694

In het Doeff-vers (Hendrik Doeff is onze eerste Nederlandse haiku-dichter!) werd hij steeds weer getroffen door de eenvoud van het beeld en daardoor juist door de frêle zeggingskracht. Vooral dat ‘reppen ze zich’ was voor hem een metafoor van hoe wij ons dikwijls onnodig druk maken en dat wij ons wat meer door een lentebriesje ‘her en der’ zouden moeten laten ‘raken’. In het meer filosofisch getinte Basho-vers herkende hij de menselijke situatie: “Gevangen in een als val neergezette pot op een ondiepe plaats in de zee, waarop de zomermaan schijnt, droomt de octopus, onbewust van het gevaar dat hem bedreigt, namelijk om geconsumeerd te worden. Evenals de octopus droomt de dichter, Basho, en dromen wij – ons vergankelijke leven ten spijt.”

In het verlengde hiervan kan ook zijn indrukwekkend, onvergetelijk afscheidscollege Met de Neus op de Rand gelezen worden. Het betreft hier de rand van een put, waarin volgens een Oost-Aziatisch gezegde de kikkers zitten die deze put als hun werkelijkheid beschouwen, deze als de wereld zien. Frits vergeleek zichzelf (graag) met een kikker die op de rand ervan zit en naar die put als geheel kijkt – zijn relatief beperkte wereld waar zijn blikveld goeddeels door bepaald werd. Zijn gevoel voor aardse betrekkelijkheid sprak ook uit teksten over het existentiële mono no aware, de vergankelijkheid en vluchtigheid der dingen: “de zachte weemoed in het voorbijgaan der seizoenen, het vervloeien van golven en onze weinige jaren.”

Hij citeerde dan graag zenboeddhistische tanka’s van de zenboeddhist, dichter en bovenal levenskunstenaar Ryokan, 1759-1831 (de bakermat van de tanka ligt in de Japanse cultuur van rond de vijfde/zesde eeuw).
Een tweetal schitterende Ryokanverzen:

langs levada’s – foto Joke Koppius

Naar het dorp kwam ik
om rijst te bedelen,
maar verdeed mijn tijd
met het plukken van viooltjes
die bloeiden op de lentevelden.

Langs oude rotsen
vloeit tussen mossen door
wat helder water;
even stil en ongezien
wilde ik de wereld door.

Samen met Annie van Tooren (1900-1991) is Frits Vos een ware pionier geweest van de inbedding van Japanse dichtvormen in onze Nederlandstalige cultuur en literatuur. Beiden vooral als vertalers. Frits als een gedreven, wetenschappelijk vertaler (filoloog), Annie als de vertaalster vanuit het intuïtief poëtisch gevoel. Annie heeft dat indertijd aldus onder woorden gebracht: “Vanaf zijn Leidse katheder heeft onze Japanoloog Professor Doctor Frits Vos met een welwillend argusoog mijn wel wat vermetele evoluties gevolgd op het zeer zwevende koord der Japanse poëzie, die tenslotte zijn goedkeuring konden verwerven – wellicht dankzij mijn ongebroken geestdrift, enige koppigheid en een werkelijk ontzag voor de taalwetenschappelijke eigenheid van deze verzen.”

Kenmerkend was dat Annie van Tooren en Frits Vos zich door (bijna) iedereen lieten tutoyeren, maar elkaar uitsluitend met een respectvol maar ook warm en welgemeend U aanspraken. Frits had ook diepe waardering voor de eigen haiku’s en tanka’s van Annie.

Hij zei ooit: “Wonderbaarlijk hoe in haar twee fijn geslepen diamanten – de vertaler en de dichter – kunnen samenvallen en toch ieder een eigen glans en uitstraling behouden.” Twee eigen tanka’s van Annie van Tooren (mevrouw mr. J. Mulder-Swanenburg de Veye), geschreven in 1980 en tegen het einde van haar leven, die Frits zeer apprecieerde, luiden:

boerenjasmijn[2]

Hoe ze wegvliegen
heel de tuin door, licht en wit
in de voorjaarsbries;
nooit stond zo overvloedig
de oude jasmijnboom in bloei.

Golven vervloeien
laten een schuimring achter,
andere volgen
laten hun schuimring achter
– aldoor even minder ver.

Het is hier niet de plaats om uitvoerig stil te staan bij de wetenschappelijke carrière van Frits Vos en zijn grote betekenis voor de verhoudingen Nederland – Japan en ook Korea. Wim Boot, ooit zijn leerling, nu zijn opvolger als hoogleraar in de Japanse en Koreaanse taal- en letterkunde aan de Universiteit Leiden, getuigde ervan in NRC/Handelsblad van 18 januari 2000 en in Mare van 3 februari 2000. Uit wat hij schrijft spreekt hoe geliefd Frits in wetenschappelijke en diplomatieke kringen was, met medeneming van zijn licht afstandelijke houding en doorgaans zwijgzame natuur. Hij zei mij ooit: “Bij mij kun je beter een zijdeur nemen of niet al te luid roepen aan mijn keukenraam; de voordeur gaat wat moeilijk open. Ik moet daar ooit nog eens iets aan doen. Maar of het helpen zal?”

Frits verstond echter als de beste de kunst van het behoedzaam, waardig maar ook zeer effectief overleg, getuige zijn aandeel in allerlei nieuwe contacten (de netwerker van het eerste uur), organisaties, publicatiereeksen, zoals de Oosterse Bibliotheek, en samenwerkingsverbanden; hij bemiddelde zelfs een keer, samen met zijn vrouw Miyako Kobayashi, bij een bezetting van de Franse ambassade door Japanse links-radicalen (1974).

Frits was een groot filoloog en zijn passies waren taalkunde en letterkunde van de Chinese, Japanse, Koreaanse, Mongoolse en Ainu cultuur. Zijn belangrijkste publicaties liggen op dat terrein. Voor ons zijn dat in het bijzonder Spel zonder snaren – samen met E. Zürcher, een uitvoerige studie van de Japanse literatuur in het licht van het levensbeschouwelijk, geestelijk klimaat. Voor de Koreaanse – veelal gezongen – poëzie Liefde rond, liefde vierkant – Zeven eeuwen Koreaanse poëzie. Vervolgens het steeds weer ontroerende Als dauw op alsembladeren – Het levensverhaal van een Japanse vrouw uit de elfde eeuw en het ronduit schitterende Een nieuwe vijver – Gedichten van de excentrieke Zen-priester Ryokan (1759-1831).

Frits heeft aan zijn laatste publicatie lang, vol overgave, uiterst wetenschappelijk maar ook bevlogen gewerkt, daarin bijgestaan door zijn dochter Naomi.

Hij beschouwde Ryokan als een geestverwant, een soul mate. Hij kende diens levensgeschiedenis als Zen-priester, met ook een grote, hoofse liefde, veel sake (rijstwijn, lauw gedronken), indrukwekkende kalligrafie en deugnieterij, van a tot en met z en kon op ieder ogenblik uit het veelzijdige oeuvre citeren. We hadden het er menig keer over: “Als ik me ooit met iemand zou durven maar vooral zou willen identificeren, dan is het – in bescheidenheid – met Ryokan. Mijn hele leven draag ik zijn teksten met me mee. Ik hoop dat het me gegeven zal zijn het boek af te ronden en te mogen publiceren”. De tekst bevat ook zijn meest geliefde Ryokan-verzen, een tanka:

Zou iemand vragen
wat er omgaat in deze monnik,
antwoord hem dan maar:
Niets meer dan wat in de lucht
de wind te vertellen heeft.

en een sedoka (een sedoka bestaat uit zes regels met doorgaans 5-7-7-5-7-7 lettergrepen; de eerste drie regels, de bovenstrofe, beschrijven een situatie die erna, in de onderstrofe, uitgewerkt wordt):

Benedictijner monniken[3]

Waren de mouwen
van mijn zwarte monnikspij
toch maar ruim en wijd genoeg!
Dan zou ik allen,
die lijden in deze wereld,
beschutting willen bieden.

Het boek is gepubliceerd en krijgt veel waardering van zowel wetenschappers als cultuur/ poëzieliefhebbers. Steeds als ik het ter hand neem, herken ik in de teksten ook Frits en hoor zijn stemgeluid, wat ingehouden, wikkend en wegend, genuanceerd en met een geheel eigen timbre, op het laatst van zijn leven vermoeid, licht uitgesleten, maar in alles wat hij zei altijd even oprecht: “Wat ik zeg, meen ik; daarom zeg ik maar zo min mogelijk.”

Originele humor
grote geleerdheid / brede kennis
een geducht drinker / een mooie man
die in geen tienduizend jaar oud zal worden
vol liefde zijn zijn diepe ogen.

Dit gedicht van de Koreaanse dichter Cho Byung-wha geldt, althans voor mij, zowel voor ‘zijn’ Ryokan als voor Frits Vos zelf – ten volle. Frits legde zijn memoires, zij het indirect, vast in zijn erudiete en consciëntieuze publicaties. Hij werd enkele malen gevraagd een autobiografie te schrijven, maar repliceerde ooit met de tanka van Ryokan, die ook boven zijn overlijdensbericht stond:

kersenbloesem [4]

Wat na te laten
te mijner gedachtenis?
De kersenbloesems,
de koekoek in de bergen
en het rode herfstlover.

Zelfs de toekenning van belangrijke gastdocentschappen als hoogleraar, verschillende culturele prijzen en hoge onderscheidingen liet hij dan onvermeld.

Wat mij altijd zal bijblijven: onze strandwandelingen; hoe hij uitkeek over zee, zei wat wolken hem deden en sprak over de branding, een metafoor voor zijn eigen leven. Het laatste dat hij mij toevertrouwde was: “Het zal vreemd zijn te sterven met nog zoveel plannen en voornemens. Maar ik zal trachten me daar dan op tijd los van te maken.”

Frits Vos, 45 jaar echtgenoot van Miyako Kobayashi, (schoon)vader van zoon Ken en Myong-suk, dochter Naomi en Klaes, en grootvader van zijn oogappel Eva, is op 19 januari 2000 in alle rust en teruggetrokken in zichzelf uit dit leven weggegleden, 81 jaar oud.

Simon Buschman
Enkele titels: Uitgeverij Meulenhoff Amsterdam
  • Haiku – Een jonge maan, vertaald, ingeleid en toegelicht door J. van Tooren
  • Senryu – De waterwilgen, idem J. van Tooren
  • Tanka – Het lied van Japan, idem J. van Tooren
  • Hoog uit het blauw, van Tooren en Smon Buschman
  • Liefde rond, liefde vierkant – Zeven eeuwen Koreaanse poëzie, vertaald, ingeleid, toegelicht door Frits Vos
  • Als dauw op alsembladeren – Het verhaal van een Japanse vrouw uit de elfde eeuw, idem Frits Vos
  • Een nieuwe vijver – Gedichten van de excentrieke Zen-priester Ryokan (1759-1831), idem Frits Vos

[1] Bron: edelhert
[2] Bron: boerenjasmijn
[3] Bron: Benedictijner monniken
[4] Bron: kersenbloesem

verzorgde samen met 50-90 medeauteurs zeven boeken over levensthema’s. Ter afsluiting van deze reeks: Langszij de tijd – Opgaan in vergetelheid. Hierna stelde hij uit eigen tanbuns, renga’s, haibuns een bundel samen met ruim 175 teksten. Bij een vijftiental schreven vier medeauteurs persoonlijke reflecties.