Caribische en Afrikaanse rolmodellen 1

0

Fred de Haas

Deel 1deel 2
Rolmodellen, Césaire, Senghor, Sartre, Toussaint, Delgrès, Lumumba, Mongo Beti, Leopold II, vooroordeel en onbegrip, zegeningen van de ‘zelfontplooiing’, angst voor ‘macoutisme’, ‘zwartheidsaanhangers’

Het is onder meer de taak van de school om te werken aan een integere bewustwording van de opgroeiende jeugd.

De Caribische eilanden[1]

Bewustwording van hun plaats in de wereld ontstaat alleen maar als kinderen meer dan een vage notie ontwikkelen van wat er in het verleden in hun geografische omgeving is voorgevallen. In dit artikel is de focus gericht op het Caribisch gebied.

Het is in dit verband van groot belang dat álle docenten beseffen dat zij bij uitstek degenen zijn die de opdracht hebben om hun leerlingen wegwijs te maken in de interessante geschiedenis van dit gebied en hulp te bieden bij het beantwoorden van vragen die dit verleden ongetwijfeld vroeg of laat zal oproepen.
Deze geschiedenis is té belangrijk om te worden afgeschoven op één en dezelfde persoon, te weten de geschiedenisleraar. Alle leerkrachten hebben die verantwoordelijkheid. En alle zichzelf respecterende Pedagogische Academies en Lerarenopleidingen delen vanzelfsprekend ook in die verantwoordelijkheid.

In dit artikel zal ik een poging doen om een steentje bij te dragen aan deze bewustwording en een aantal Benedenwindse parallellen trekken met andere gebieden in het Caribisch gebied en, voor zover relevant voor het wel en wee van mensen binnen het dekolonisatieproces, met enkele Afrikaanse landen. De focus zal zowel gericht zijn op het verleden als op het heden en op de menselijke verhoudingen die door traumatische gebeurtenissen in het verleden nog steeds onder druk staan.

Omdat het aandachtsgebied moet worden begrensd, heb ik gekozen voor gebieden die ooit door de Nederlanders, Fransen en Belgen zijn gekoloniseerd. Het zal voor de meeste lezers niet moeilijk zijn om de culturele invloeden aan te wijzen die onder het voormalige Nederlandse gezag hun stempel hebben gedrukt op de Caribische eilanden.

Ook zal wat uitgebreider worden ingegaan op enige Caribische en Afrikaanse rolmodellen uit de tijd van de dekolonisatie, neo-kolonisatie en ‘pseudo-onafhankelijkheid’.

De Franse Cariben

De Franse Overzeese gebiedsdelen[2]

Zoals bekend, zijn Martinique, Guadeloupe en Frans Guyana Franse Departementen die administratief ook als zodanig worden behandeld. De helft van Sint Maarten/ Saint-Martin heeft een beperkte autonomie en is een ‘collectivité d’Outre-Mer’.

Bonaire, Saba en Sint Eustatius hebben een vergelijkbare status als bijzondere gemeentes van Nederland. Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben gekozen voor een grote mate van autonomie en worden bestuurd door ‘eigen mensen’.

Slavernij Monument in Curaçao ― Nel Simon (1997 )[3]

Dat laatste is niet het geval op de Franse eilanden. Zo heeft Martinique bijna 40.000 ambtenaren die voor een groot deel afkomstig zijn uit Frankrijk en een ‘tropentoeslag’ van 40% op hun salaris krijgen. Dat de toplaag van de bestuurders uit Frankrijk komt heeft een goede reden.

Op die manier kunnen belangenverstrengeling, vriendjespolitiek en corruptie zo goed mogelijk worden bestreden. Men heeft in kleinschalige gemeenschappen nu eenmaal over het algemeen meer ontzag voor bestuurders ‘van buiten’ dan voor de ‘eigen mensen’.

Vooroordelen

De Franse ambtenaren hebben, net als de Nederlanders vroeger, meestal geen flauwe notie van wat er in de mensen in de overzeese gebieden omgaat. Dat dit, zeker in het begin van een verblijf, aanleiding kan zijn tot conflicten, moge duidelijk zijn. Ook op Bonaire valt het een en ander af te dingen op het begrip tussen de lokale bevolking en de Nederlanders.

Net als in het Nederlandse ‘moederland’ heeft het Franse volk in de ‘métropole’ hoegenaamd geen belangstelling voor de overzeese gebieden (les Outre-Mer). De mensen in Frankrijk denken, net als de meeste Nederlanders, in makkelijke gemeenplaatsen als ‘die mensen daar zijn opvliegend’ en ‘ze kosten ons een hoop geld’. Alleen Fransen c.q. Nederlanders die een paar jaar op de eilanden hebben gewoond vertonen meestal een wat positievere houding.

Dat soort onbegrip voor de overzeese bevolking heerst overigens ook in Nederland ten aanzien van mensen uit andere streken van Nederland. Zo worden katholieke Limburgers over het algemeen gezien als ‘Roomse gluiperds’ en Friezen als ‘koppige mensen’. Om van de Achterhoek maar te zwijgen. Daar hebben ‘ze’ een latent minderwaardigheidscomplex en worden al kwaad als je uit oprechte belangstelling vraagt of ze ook het plaatselijk dialect spreken. Niets nieuws onder de zon. Het vooroordeel regeert.

Wat denkt u dat de Fransen afweten van Bretons? Van Corsicanen? Van Basken? Bijzonder weinig, verzeker ik u. En van zwarte mensen uit de Cariben begrijpen ze nog minder. Men weet nauwelijks dat ze voor een deel afkomstig zijn uit Afrika en nog steeds last hebben van wat Fanon ooit heeft genoemd ‘de slavernij van de slavernij’! De meeste Fransen waren dan ook stomverbaasd toen allerlei opgekropte gevoelens in 2009 op gewelddadige wijze tot uiting kwamen op Martinique en Guadeloupe. De Fransen wisten niet hoe gauw ze vergaderingen moesten beleggen met de lokale bevolking om het tij te keren en nieuwe relaties op te bouwen. De druk was zodoende vrij snel van de ketel maar het resultaat van de nieuwe initiatieven was pover.

Het onbegrip tussen blank en zwart wordt nog verder gecompliceerd door het feit dat eilanders elkáár niet kunnen uitstaan. Zo’n sentiment heerst, bijvoorbeeld, tussen Curaçao en Aruba, al zal men dat naar buiten toe verdoezelen. Maar het feit dat Aruba en Curaçao er een eigen spelling van dezelfde Creoolse taal op nahouden spreekt boekdelen. Dat heeft niets met taalkunde maar alles met chauvinisme, vooringenomenheid en politiek te maken.

Wilt u een paar voorbeelden van vooroordelen op de Frans-Caribische eilanden?

De mensen van Guadeloupe worden door de Martinikanen beschouwd als zijnde van laag allooi, als lieden die ‘onder in het ruim van het slavenschip hebben gezeten’, de zogenaamde ‘fonds de cale’.

De mensen van Guadeloupe bestempelen Martinique als het eiland van de kouwe kak, op de Guyanezen wordt door allebei neergekeken, Haïtianen worden als arrogant beschouwd, de inwoners van St. Lucia zijn ‘allemaal’ drugdealers net als de jonge zwarten die lang in Frankrijk hebben gewoond, de zogenaamde ‘négropolitains’ (een samentrekking van ‘négro’ en ‘métropole’, waarmee Frankrijk wordt bedoeld).

Er zijn tal van overeenkomsten tussen Martinique en Curaçao: er heerst op beide eilanden grote jeugdwerkloosheid, veel gezinnen leven onder de armoedegrens, er is een groot aantal éénoudergezinnen (44% op Curaçao; de helft van de kinderen uit die gezinnen weten niet wie hun vader is, 30% van de moeders heeft de lagere school niet afgemaakt), er is kindermishandeling, misdaad en gewelddadigheid:

‘De geweldscriminaliteit is schrikbarend hoog. Als we de moordcijfers binnen het Koninkrijk vergelijken is de kans om in het Caribisch deel van het Koninkrijk vermoord te worden soms wel 20 keer zo hoog als in het Europees deel van het Koninkrijk’

Fragment uit een toespraak van Procureur Generaal G. Schram, Curaçao (januari 2015).

De ‘gewone’ en vaak zware misdaad op Martinique ligt tweemaal zo hoog als in Frankrijk en zijn vaak drugs gerelateerd.

Kindermeisje uit Martinique

Eenoudergezinnen (24% in Martinique) met een werkloze moeder hebben het moeilijk. Kinderen hebben, net als op Curaçao, weinig of geen structuur. Verder vindt 20% van de gezinnen aan de onderkant van de Martinikaanse samenleving dat naar school gaan nergens goed voor is.

Onbeschoft gedrag is eerder regel dan uitzondering. De zogenaamde ‘zelfontplooiing’ en gevoeligheid voor het eigen ego maken dat menigeen niet meer ziet wat goed is voor een ander. Twitter laat overal ter wereld zien hoe oppervlakkig het denken van velen is, als er al sprake is van denken. De eilanden doen dapper mee. Iedereen voelt zich gauw beledigd. Bescheidenheid is geen deugd meer.

De Franse filosoof Finkielkraut zegt:

‘er bestaat vandaag de dag geen kwetsing van het ‘IK’ die niet om gerechtigheid vraagt en genoegdoening eist’[4].

‘Kort lontje’,

zegt de gewone man.

De schuld van dit alles wordt over het algemeen gegeven aan het Onderwijs, de Overheid, de ouders, drugs, werkloosheid, gebroken gezinnen, enz. Men kijkt niet graag naar zichzelf.
Op Curaçao zijn er politieke partijen die wel degelijk een beroep op de ouders doen om hun verantwoordelijkheid te nemen. Roependen in de woestijn, helaas.
Deze asociale situatie is erger dan chikungunya[5].
Welke politicus voelt zich verantwoordelijk om hier daadwerkelijk iets aan te doen? Niemand, waarschijnlijk. Want je kan er niet mee scoren, het kost geld en voor een totale hervorming van het onderwijs moet je visie hebben. Dat los je niet op met gratis schoolboeken waarvan de meeste allang over de houdbaarheidsdatum heen zijn.

Een Haïtiaanse Tonton Macoute[6]

De overeenkomsten met de ‘Nederlandse’ Antillen krijgen een haast magisch tintje als we het jaar 2010 naderen. Dan kiest bijna 80% van de kiezers in Martinique voor Frans bestuur volgens artikel 73 van de Grondwet.
Saint Martin en Saint Barthélemy hadden in 2003 al gekozen voor Frans bestuur volgens artikel 74 van de Grondwet dat meer autonomie gaf.

Het feit dat de bevolking ervoor heeft gekozen om gewoon als Frans Departement bestuurd te worden geeft aan dat ze plaatselijke bestuurders (‘eigen mensen’) geen kans wilden geven om ‘macoutisme’ te bedrijven (vriendjespolitiek en harde politieke onderdrukking).

Betico Kroes (1938-1986)[7]

De term ‘macoutisme’ is afgeleid van ‘Tontons Macoute’ (= Boemannen) waarmee de Haïtiaanse paramilitairen van de losgeslagen oud-president Duvalier werden aangeduid die ongestraft konden doen en laten wat ze wilden.

Het is bekend dat de voormalige Nederlandse Antillen in 2010 ook kozen voor een band met Nederland, waarbij moet worden aangetekend dat Aruba al sinds 1986 een aparte status had verworven onder de bezielende leiding van Betico Croes die vlak voor het ingaan van de ‘Status Aparte’ door een verkeersongeluk om het leven kwam in Oranjestad.

Racisme

Gezien het boven beschreven Franse gebrek aan kennis van de Caribische cultuur en het daardoor ontstane onbegrip aan beide kanten valt het op dat er toch pogingen werden en worden gedaan om respect en vertrouwen te kweken.

In ‘Nègre je suis, Nègre je resterai’[9] zegt Césaire:

Léopold Sédar Senghor (1906-2001)[8]

‘Senghor (dichter en latere President van Senegal, FdH) en ik hebben er altijd voor gewaakt niet te vervallen in zwart racisme. Ik heb een eigen persoonlijkheid en tot de blanke sta ik in een verhouding van wederzijds respect’.

Dat respect geldt de taal, de cultuur, de lokale geschiedenis, kortom allemaal aspecten die, zoals boven geschetst, in het onderwijs ruim aan bod moeten komen. Daar hoort de slavernijgeschiedenis ook bij.

 

Aimé Césaire (1913-2008)[10]

De slavernijgeschiedenis moet, zegt de Martinikaanse schrijver Aimé Césaire, zo worden onderwezen dat kinderen er geen complex aan overhouden en dat er geen haatgevoelens worden gekweekt ten aanzien van Europeanen. Ook moet worden vermeden dat door een suggestieve manier van vertellen kinderen in een slachtofferrol worden gepraat. Wederom de verantwoordelijkheid van de leerkrachten en hun opleiders.

Césaire was trouwens tegen onafhankelijkheid voor de Franse eilanden:

‘het zou een regelrechte ramp zijn als alle diensten onder de verantwoordelijkheid van Martinikanen zouden vallen. […] geen onafhankelijkheid, maar autonomie, d.w.z. zijn eigenheid hebben, zijn eigen ideaal en toch behoren tot een groter geheel’.

Dat laatste zou, mutatis mutandis, te wensen zijn voor de Benedenwinden. Curaçaoënaars en Arubanen verschillen niet veel van Martinikanen.

Tot elkaar ‘veroordeeld’

Net als op de Benedenwindse eilanden tref je allerlei kleuren aan onder de mensen in de Franse gebieden: zwart, donkerbruin, lichtbruin, blank, mat blank, blank met negroïde trekken, zwart met Europese trekken enzovoorts.

Béké’s

De op Martinique en andere Franse eilanden geboren blanken, die Béké’s worden genoemd, blijven meestal binnen hun eigen groep, ondanks het feit dat ze een groot aantal kinderen hebben verwekt bij gekleurde vrouwen. Soms werd er voor die kinderen gezorgd, maar meestal werden ze niet erkend.

De blanke Martinikaan groeide op bij de Da (de zwarte kinderjuffrouw, te vergelijken met de Curaçaose Yaya) die de Creoolse cultuur in huis bracht. Dat maakt dat, net als op Curaçao de blanke Curaçaoënaar, de Béké zich een echte Martinikaan voelt.

Vooroordeel en stereotypering ten aanzien van kleur zijn schering en inslag. Grappig genoeg (nou ja, grappig …) gedraagt de gekleurde ‘burgerij’ zich op dezelfde manier als de Béké’s, die hen ‘dus’ (maar altijd ‘min of meer’) accepteren. Het zijn de Curaçaose Makamba Pretu.

De zeer donker gekleurden hebben een gecompliceerde verhouding tot de blanke Creolen. Nu eens is er sprake van haatgevoelens, dan weer van een bepaalde solidariteit vanwege het gedeelde verleden.

Je hebt ook blanken die helemaal onderaan de sociale ladder staan. Die worden ‘petits blancs’ genoemd (kleine blanken) die ondanks hun lichte kleur geen enkele status hebben. Voor mulatten die er financieel goed aan toe zijn heeft men ook een naam: ‘békés goyave’, blanken met de kleur van de bruine guave.

Resumerend kun je zeggen dat al die mensen door het verleden tot elkaar zijn veroordeeld, hoewel er geen permanent ondragelijke sfeer is zoals in het stuk ‘Huis Clos’ (met gesloten deuren) van Jean-Paul Sartre, waarin mensen die elkaar haten en dwarszitten verplicht zijn met elkaar samen te leven in het besef dat ze in de ‘Hel’ zitten. Om een Hel te creëren zonder dat er een Jeroen Bosch-achtige duivel of vurige tang aan te pas komt is een gezelschap van nauwkeurig geselecteerde mensen die de pest aan elkaar hebben ruim voldoende.

Identiteit

Tegenwoordig gaat het debat over identiteit veel verder dan de slavernijgeschiedenis. Het gaat over wat is aangeboren en wat is aangeleerd. Lange tijd (en helaas komt dat nu nog steeds voor) is door Europeanen het idee erin gehamerd dat ‘negers niks kunnen’.
Dat heeft traumatiserend gewerkt, maar gelukkig wordt dit idee heden ten dage door bijna iedereen verfoeid en losgelaten.
Wat dat betreft valt het op dat zwarte Amerikanen nog steeds in een ongunstiger situatie verkeren dan de gekleurde bevolking van de Antillen. Maar blanke hufters met bepaalde ideeën over ‘negers’ heb je nu eenmaal overal. Ook op de Antillen. Dat is een goede voedingsbodem voor rancuneuze gevoelens die op allerlei wijzen een uitweg zoeken. Bijvoorbeeld, toen het onderwijs na de jaren 60 van de vorige eeuw begon te antillianiseren zag je het fenomeen dat onderwijskrachten zich ‘militant’ gingen gedragen.

Op Curaçao hadden ze openlijk de pest aan de oude kolonisator Nederland en sprak men zo min mogelijk Nederlands. Ook niet met de leerlingen. Slecht functionerende onderwijzers hadden de funeste steun van een onderwijsvakbond die zich niets gelegen liet liggen aan de kwaliteit van het Onderwijs. Vakbondsbestuurders met weinig of geen gevoel voor opvoeding kwamen op voor de vermeende belangen van onderwijzers en leraren. Met alle gevolgen voor de leerlingen van dien. Het zoeken naar een eigen identiteit was de overheersende trend die, helaas, gelijke tred hield met de neergang van de kwaliteit van onderwijs.

‘Afrikanisering’

Zo’n veertig jaar geleden waren er ook nogal wat Antillianen die een beetje wilden ‘afrikaniseren’ om een soort verlichting te vinden voor hun gevoel van onbehagen.
De (zwarte) Martinikaanse schrijver Frantz Fanon heeft dit soort mensen ooit genoemd ‘zwartheidsaanhangers die in de grote zwarte luchtspiegeling willen leven’.

Dit soort gevoelens verdween snel bij een groot aantal Antillianen dat erin slaagde iets te bereiken wat ze zelf de moeite waard vonden. Heden ten dage is de hele bevolking, blank en zwart, nu blootgesteld aan de ontmoeting met allerlei andere culturen waarmee moet worden samengeleefd. Dit besef heeft een heilzame invloed op de samenleving.
Er is een moderne identiteit ontstaan met duidelijk afgebakende gevoelens:

  • het gevoel tot een algemeen aanvaarde cultuur te behoren die is geworteld in een geschiedenis waarvan de taal een weerspiegeling is;
  • het gevoel tot een groter geheel te behoren: Caribisch, Zuid-Amerikaans, Europees, een Koninkrijk, een Republiek etc.;
  • het gevoel zelf verantwoordelijkheid te dragen voor een gewenste verandering en een plaats in de maatschappij.

Het gaat allang niet meer om de ‘overzichtelijke’ tegenstelling zwart-blank. Iedereen heeft deel aan een Creoolse cultuur, of je nu blank of zwart bent, of je nu in het Creools, Nederlands, Frans, Engels of Spaans schrijft.
Voorbeelden van in het Nederlands schrijvende Creoolse schrijvers zijn Tip Marugg, Boeli van Leeuwen, Cola Debrot en Frank Martinus.
Voorbeelden van in het Frans schrijvende Creoolse schrijvers zijn Edouard Glissant, Aimé Césaire, Frantz Fanon, Patrick Chamoiseau, Raphael Confiant en Maryse Condé. Voeg daarbij het multiculturele, Creoolse element en je begrijpt wat een rijkdom de Antilliaanse identiteit in zich bergt.

Césaire heeft in 2008 al gezegd dat die kleine Antillen nog wel eens een voorbeeld voor Frankrijk zouden kunnen worden. Daar had hij gelijk in. Het dringt alleen niet tot Frankrijk door.

Verandering

Alain Finkielkraut, filosoof (1949)[11]

In 2015 zien we hoe Frankrijk, Nederland, Engeland, Duitsland, kortom, Europa door de massale immigratie aan het veranderen is. Zoals Finkielkraut schreef (op. cit. p. 21):

‘verandering is niet meer wat we zelf doen of waarnaar we streven, verandering is wat ons overkomt’.

Ook in Europa hebben we, gelukkig, afstand genomen van de woorden die De Gaulle eens schreef:

‘wij zijn toch vooral een Europees volk dat behoort tot het blanke ras en dat een Grieks-Latijnse cultuur en christelijke godsdienst heeft’.

We zijn daarmee gelukkig ook een heel eind verwijderd van de oude opvatting dat een Europese beschaving het recht zou hebben in naam van die beschaving missie te bedrijven in andere landen.

We zijn er dus langzamerhand van overtuigd geraakt dat onze identiteit aan voortdurende verandering onderhevig is. Verandering gaat soms zo snel dat Surinamers, Antillianen, Turken en Marokkanen zich in Nederland ‘Nederlandser’ voelen dan de recent gearriveerde Somaliërs, Koerden, Syrische emigranten en vluchtelingen.

Het kan verkeren.

Rolmodellen

Op de Caribische eilanden heeft de bevolking nogal eens de neiging om niet verder om zich heen te kijken dan het eiland groot is. Vandaar dat het opvoeren van ‘rolmodellen’ uit het verleden waarmee men zich kan identificeren beperkt blijft. Zo komt de Afro-Curaçaose bevolking op Curaçao vaak niet verder dan Tula en Karpata. Van de Haïtiaan Toussaint Louverture, een tijdgenoot van Tula, heeft men meestal wat vage verhalen gehoord en daar houdt het zo’n beetje mee op.

Toch is er een groot aantal dappere (zwarte) mensen geweest dat een belangrijke rol heeft gespeeld in het verleden en in de tijd van de dekolonisatie.
Ik zou aan enkelen van hen enige aandacht willen besteden: Toussaint Louverture en Dessalines van Haïti, Louis Delgrès van Guadeloupe, Lumumba van Congo en de schrijver Mongo Beti uit Kameroen. Het betreft hier mensen die natuurlijk ook hun fouten en gebreken hadden maar die wel vasthielden aan bepaalde gerechtvaardigde principes. Onderstaande voorbeelden zijn natuurlijk niet bedoeld om klakkeloos te worden nagevolgd. Ze dienen alleen maar om aan te zetten tot denken en iets verder te kijken dan de eigen buurt.

Misdaad en boete

Toussaint Louverture (1743-1803)[12]

Over sommige strijders voor de rechten van de mens hoor je in Europa verrassend weinig. Dat is enerzijds te verklaren door het feit dat we door teveel nieuws over de waan van de dag worden overstelpt en anderzijds door het vaak bewust gestuurde verlangen om wandaden die in het nog niet zo verre verleden zijn begaan te vergeten of op zijn minst zo goed mogelijk te verdoezelen.

Veel misdaden zijn begaan in de tijd dat gekoloniseerde volken vochten voor hun onafhankelijkheid, een gerechtvaardigde strijd die de onderdrukkende kolonisator vaak in bloed probeerde te smoren. Dat gebeurde ook nog nadat die landen al de onafhankelijkheid hadden ‘gekregen’.
Men kan dan met recht zo’n onafhankelijkheid als ‘pseudo-onafhankelijkheid’ bestempelen omdat de oude kolonisator zijn macht en belangen nog kon behouden via omgekochte en omhooggevallen ‘hoogwaardigheidsbekleders’ en nieuwbakken ‘presidenten’ die vaak niets anders waren dan kruiperige stromannen in de nieuwe ‘onafhankelijke’ landen.

Over rolmodellen uit de literatuur hebben we al herhaalde malen gesproken. Ditmaal is het de beurt aan enkele politiek geëngageerde figuren die zich in het verleden hebben onderscheiden door hun niet aflatende strijd tegen het kolonialisme in de Cariben en in Afrika.

Toussaint Louverture

Toussaint Louverture (François Dominique Toussaint, 1743-1803), die zijn bijnaam ‘Louverture’ te danken heeft aan de bres (l’ouverture = de opening) die hij aan het hoofd van zijn soldaten in de gelederen van de koloniale Franse legers wist te slaan, diende eerst als ‘slaaf’ op een plantage waar de blanke plantagebeheerder hem leerde lezen en schrijven en onderwees in de plantengeneeskunde.
Toussaint, die op het landgoed koetsier en opzichter was, werd op zeker moment vrijgelaten en trouwde met een vrijgelaten ‘slavin’ die beschikte over grote landgoederen. Hij was dus een welgesteld landeigenaar voordat hij een politieke rol zou gaan spelen na de Franse Revolutie van 1789.

Verklaring van de rechten van de Mens en de Burger (1789)

Hoewel er in artikel 1 van de ‘Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger’[13] duidelijk staat ‘de mensen worden vrij geboren en zijn gelijk in rechten’, hadden de blanken er in die tijd toch moeite mee dat dit ook zou moeten gelden voor de zwarte en gekleurde mens en beschouwden ze artikel 1 liever als iets voor intern gebruik.
Volgens de ‘Verklaring’ moest de slavernij echter wel worden afgeschaft en dat deden de Revolutionairen dan ook. Helaas zou Napoleon in 1799 de slavernij net zo hard weer proberen in te voeren. Maar eerst zou er op Haïti (dat toen nog Saint-Domingue heette) een grote opstand tegen de Fransen uitbreken van de zwarte en gekleurde bevolking en eindigde met de overwinning van de opstandelingen.

Opstand in Haïti

De blanke kolonisten op Haïti hadden er niet op gerekend dat ‘zwarten’ (volgens hen een inferieur ras dat niet tot denken in staat was) een opstand zouden kunnen organiseren. De Blanken hoorden wel getrommel in de nacht, maar dachten dat de Zwarten hiermee alleen maar hun frustraties afreageerden. De Fransen hadden er geen flauw idee van dat die bijeenkomsten bedoeld waren om de strategie van een opstand te bespreken en via getrommel berichten over te seinen.

In Bois-Caïman, Noord Haïti, werd de grote opstand tijdens een Voudou ceremonie geïnitieerd onder leiding van de charismatische weggelopen slaaf (‘marron’) Boukman die aan het begin van de opstand sneuvelde. De Fransen onthoofdden hem en paradeerden in de straten van Cap Haïtien met zijn hoofd op een paal en een bordje waarop stond: ‘Hoofd van Boukman, leider van de rebellen’.

De zwarten staken als represaille plantages in brand en legden een groot deel van Noord Haïti in de as. De Fransen sloegen terug, fusilleerden en onthoofdden mensen waar ze konden. Overal langs de wegen van het Noorden zag je aan palen gespietste hoofden van zwarte mensen.

In die tijd begon de oorlogscarrière van Toussaint. Hij kreeg zijn bijnaam ‘Louverture’ en werd benoemd tot luitenant-generaal van de legers van de Spaanse koning. Spaanse koning? Ja, want het Oosten van het eiland (het tegenwoordige Santo Domingo) was namelijk in Spaanse handen en Spanje was in oorlog met Frankrijk. Het was dus alleszins begrijpelijk dat Spanje de zwarte opstandelingen graag steunde in hun strijd tegen Frankrijk.

Frankrijk dacht een uitweg uit de moeilijkheden te kunnen vinden door met één pennenstreek de halfbloeden (= mulatten) politiek en sociaal gelijk te schakelen met de Blanken en zodoende de opstandelingen (zwarten en mulatten) uit elkaar te spelen.
Ook werden er hoge commissarissen naar Haïti gestuurd onder wie een zekere Sonthonax die besloot om de vrijheid en het Franse burgerschap aan te bieden aan alle zwarten die wilden vechten voor de Franse Republiek. Met succes.

Ook schafte de vrijheidslievende Sonthonax in 1793 de slavernij af, hoewel hij hiervoor geen toestemming had van de Franse regering. De Franse regering heeft later deze beslissing van Sonthonax echter wel bekrachtigd.

Toussaint, die tot gouverneur van het eiland werd benoemd, zorgde ervoor dat er een zwarte elite kwam die de blanke grotendeels verving en gaf de door de Franse kolonisten verlaten plantages aan zijn officieren. Sonthonax was inmiddels teruggekeerd naar Frankrijk en Toussaint was alleenheerser in Haïti. Hij onderhandelde over een handelsverdrag met de Verenigde Staten en Engeland, zeer tegen de zin van Napoleon, de eerste consul van het revolutionaire Frankrijk.

Napoleon

Generaal Leclerc ― François Kinson (1772-1802)[14]

Spanje verloor de oorlog met Frankrijk en Toussaint stak in 1801 de Dominicaanse grens over om ook daar de slavernij af te schaffen en het land in bezit te nemen. Napoleon stuurt daarop een leger onder leiding van Generaal Leclerc naar Haïti om de slavernij weer in te voeren. Hij stuurt Toussaint vooraf een geniepig briefje:

‘Het is ons een genoegen om de grote diensten te erkennen en te verkondigen die u het Franse volk heeft bewezen. Als de Franse vlag wappert boven Saint-Domingue is dat aan u en de dappere Zwarten te danken’.

Leclerc gaat verwoestend te werk maar slaagt er niet in de troepen van Toussaint te verslaan. Leclerc verliest 12.000 man in twee maanden tijd. Hij sluit een akkoord met de opstandelingen. Toussaint houdt zijn generale staf en mag zich overal vestigen. Hij wordt echter verraderlijk gevangen genomen en op een schip naar Frankrijk gezet, waar hij zal worden vastgehouden in Fort Joux in de Jura en van zijn militaire rang beroofd. Hij zou daar in 1803 sterven aan een beroerte. In de vouwen van een hoofddoek ontdekte men later een briefje dat Toussaint in het Creools had geschreven:

‘Mij zomaar arresteren, zonder naar me te luisteren, zonder me te zeggen waarom, zich meester maken van al mijn goederen, me op een schip zetten, mijn hele familie beroven, me als een naakte worm wegsturen, de schandelijkste leugens over mij verspreiden en na dit alles mij in de diepte van een gevangenis storten: is dat niet hetzelfde als iemands been afsnijden en tegen hem zeggen ‘lopen maar’, is dat niet hetzelfde als iemands tong afsnijden en tegen hem zeggen ‘spreken maar’, is dat niet hetzelfde als iemand levend begraven?’

Een maand na de gevangenneming van Toussaint herstelt de Franse generaal Antoine Richepanse de slavernij in Guadeloupe waarbij 10.000 mensen de dood vinden.

Inmiddels hadden de Franse kolonisten wraak genomen in Haïti en met de troepen van Leclerc een wrede onderdrukking en terreur in gang gezet. Maar langzaamaan begint het Franse leger terrein te verliezen aan de zwarte strijders die een guerrillaoorlog zijn begonnen. Leclerc krijgt hulp van de Franse generaal Rochambeau die uit Cuba 28 bulldogs meeneemt. Het hondenvoer wordt er niet bijgeleverd. In een briefje aan Leclerc schrijft Rochambeau:

‘Geef ze maar negers te eten. Met de hartelijke groeten’.

Standbeeld Jean-Jacques Dessalines (c 1758-1806)[15]

Jean-Jacques Dessalines is Toussaint opgevolgd. In 1803 staat hij met 20.000 man voor Port-au-Prince. De stad valt.

In Cap Haïtien capituleert Rochambeau voor de moedige, zwarte generaal Capoix. Rochambeau vlucht per schip naar Frankrijk, maar wordt gevangen genomen door de Engelse marine die hem acht jaar in de gevangenis laat creperen.

In 1804 roept Dessalines de onafhankelijkheid uit en noemt het land AYITI (= bergachtig land), de oude Indiaanse naam van Haïti.

Frankrijk erkent het land in 1825 op één voorwaarde: het land moet een ‘compensatie’ betalen van 150 miljoen goudfranken. Ook de invoerrechten moeten met de helft worden verlaagd. Niet bepaald een goede start voor een beginnend land. Een economische doodsteek.

Tegenwoordig is Haïti een van de armste landen ter wereld. Toussaint en Dessalines zouden zich in hun graf omdraaien als ze zouden kunnen zien wat hun opvolgers van het land hadden gemaakt. De onafhankelijkheid had alleen maar willekeur en ellende gebracht voor het Haïtiaanse volk.

Dat is wat laaggeschoolde, incompetente en egocentrische mensen tot stand brengen als ze de teugels van het bestuur in handen hebben.

Noten

[1] Bron: Eilanden in en bij de Caraïben
[2] Bron: De Franse Overzeese gebiedsdelen
[3] Bron: Tulamonument, Parke di Lucha pa Libertat, Willemstad, Curaçao ― foto Kattiel
[4] A. Finkielkraut, L’identité malheureuse, Stock 2013, p. 211
[5] Een virulente infectie
[6] Bron: Een Haïtiaanse Tonton Macoute fair use
[7] Bron: Betico Kroes ― foto Rob C. Croes for Anefo
[8] Bron: Léopold Sédar Senghor ― Egon Steiner
[9] Interview met Françoise Vergès, Albin Michel, 2005, p. 28
[10] Bron: Aimé Césaire ― foto Jean Baptiste Devaux
[11] Bron: Alain Finkielkraut ― foto Jérémy Barande
[12] Bron: Toussaint Louverture ― foto M. Strīķis
[13] Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen, 1789
[14] Bron: Generaal Leclerc ― François Kinson
[15] Bron: Standbeeld Jean-Jacques Dessalines ― foto Rémi Kaupp

Avatar foto

studeerde cum laude af in de Franse, Spaanse en Portugese taal- en letterkunde. Vanaf het begin combineerde hij zijn functies met werkzaamheden als literair vertaler. Fred de Haas vertaalde onder meer uit het Papiaments, het Frans, het Spaans en het Russisch. Hij is leider, zanger en gitarist bij het Latijns-Amerikaans ensemble Alma Latina.