Benjamin Rijnsburger
Deel 1 – deel 2 – deel 3 – deel 4 – deel 5
Een filosofische analyse van “akrasia” in een tijdperk van sociale media — deel 4
Na mijn stage bij de Quest for Wisdom — die onder meer resulteerde in een De Gulden Snede Mei 2026 bijdrage over de liefde in digitale tijden voor het QfWf-jaarthema — ben ik afgestudeerd aan de Erasmus School of Philosophy van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Mijn Bachelorscriptie Wijsbegeerte gaat over het klassieke begrip “Akrasia”, ofwel de disharmonie tussen denken en doen, waarvan ik verschillende aspecten belicht vanuit de geschiedenis van de filosofie.

Hiermee wil ik inzichtelijk maken waarom mensen op sociale media systematisch handelen tegen hun eigen morele oordelen in. En dat deze disharmonie niet alleen voortkomt uit individuele wilszwakte, maar tevens uit de structurele kenmerken van de motivationele omgeving waarin zij zich bevinden. Sociale media zijn, met andere woorden, geen neutrale ruimtes die slechts weerspiegelen wat mensen al zijn, maar ontworpen omgevingen die akratisch gedrag systematisch uitlokken.
In de vorige delen volgden we drie filosofische verklaringen die er van akrasia zijn gegeven: een klassieke deugdethische, een vroegmoderne rationalistische, en een hedendaagse analytische benadering, van respectievelijk Aristoteles, Spinoza, en Davidson en Hare. Deze drie denkers bieden elk een verschillende verklaring voor het fenomeen akrasia. Wat zij gezamenlijk laten zien, is dat de eenvoudige verklaring van “luiheid” of “gebrek aan wilskracht” tekortschiet. De disharmonie tussen zeggen en doen is geworteld in fundamentele structuren van de menselijke psychologie. De analytische filosofen, Davidson en Hare, bieden begrippen om op een abstract en individueel niveau te verklaren dat morele oordelen normaal gesproken motiveren maar onder bepaalde omstandigheden tekortschieten. In de huidige tijd zijn het juist de overheersende digitale contexten die deze tekortkomingen systematisch produceren.
Dit deel focust op die structurele dynamiek van de sociale media, waarmee ik de relevantie van deze filosofische analyse onderstreep voor de digitale tijden waarin we leven.
Sociale media als motivationele omgeving

We hebben geconcludeerd dat morele motivatie in concrete situaties soms tekortschiet, en dat de oorzaken hiervan niet alleen op individueel niveau liggen, maar ook in de structurele kenmerken van de omgevingen waarin mensen handelen. Een hedendaagse omgeving die deze dynamiek vooral illustreert, is die van sociale media. Platforms als Instagram, X, TikTok en LinkedIn zijn geen neutrale ruimtes waarin mensen hun bestaande karakter en gedrag uitleven, maar ontworpen omgevingen die specifieke vormen van gedrag uitlokken en andere ontmoedigen.[1]
Het ontwerp van sociale media is niet toevallig. Het wordt gestuurd door commerciële belangen die voornamelijk gericht zijn op het maximaliseren van “engagement”: de tijd en aandacht die gebruikers besteden aan het platform.[2] Om dit engagement te maximaliseren maken sociale media gebruik van inzichten uit de gedragspsychologie en de neurowetenschap. Likes, reacties, volgers en notificaties fungeren als telbare maten van sociale waardering, die werken volgens hetzelfde psychologische principe als variabele beloningsschema’s bij gokautomaten.[3] Algoritmes prioriteren bovendien emotioneel geladen content boven kalme, doordachte content, omdat emotie tot meer engagement leidt.
Dit raakt aan akrasia omdat sociale media een omgeving creëren waarin de motivatie naar sociale waardering systematisch wordt versterkt. Waar in het dagelijks leven sociale waardering diffuus is en moeilijk meetbaar, wordt zij op sociale media telbaar (likes, volgers), zichtbaar (publiek geplaatst), en continu (24/7 beschikbaar). Daarmee wordt zij ook affectief krachtiger in de zin die Spinoza (zie deel 2) beschreef: een proximaal, onmiddellijk waarneembaar affect dat in concrete momenten sterker is dan abstracte morele oordelen. De sociale media-omgeving zelf maakt het waarschijnlijker dat akrasia optreedt.
De disharmonie tussen morele uitingen en moreel gedrag
Virtue signaling en performatieve moraliteit
Een van de meest opvallende manifestaties van akrasia op sociale media is het fenomeen van virtue signaling: het uiten van morele standpunten in een vorm die meer gericht is op zelfpresentatie dan op werkelijk moreel handelen. Iemand kan met grote stelligheid het belang van klimaatactie uitspreken op Instagram en vervolgens een vliegvakantie boeken; iemand kan zich publiekelijk uitspreken tegen sociale ongelijkheid op X en privé weinig doen om die ongelijkheid te bestrijden; iemand kan een steunbetuiging plaatsen voor een vervolgde groep zonder zijn dagelijkse keuzes daarop aan te passen.

Het filosofisch interessante punt is niet dat alle online morele uitingen oppervlakkig zouden zijn, sommige zijn dat zeker niet, maar dat de structuur van sociale media virtue signaling als praktijk faciliteert en zelfs aanmoedigt. Het uitspreken van het juiste standpunt wordt beloond met likes en sociale waardering, terwijl het naleven van dat standpunt typisch onzichtbaar blijft en geen vergelijkbare beloning oplevert. De opmaak van het medium maakt het, met andere woorden, kostbaar om consequent te zijn en winstgevend om “performatief” te zijn ofwel “de schone schijn regeert”!
Vanuit het kader van Hare kunnen deze online morele uitingen worden begrepen als een fenomeen dat zijn analyse op een paradoxale wijze bevestigt. Hare stelde dat de meeste mensen die moreel falen, geen werkelijke prescriptieve oordelen vormen maar morele taal gebruiken in een afgezwakte zin. Sociale media maken dit verschijnsel zichtbaar en zelfs systematisch: veel “morele uitingen” online zijn niet werkelijk prescriptief, maar functioneren als sociale signalen, als markers van groepsidentificatie en zelfpresentatie, los van enig commitment om er daadwerkelijk naar te handelen.
Conformisme en de angst voor afwijzing
Een tweede vorm van disharmonie op sociale media betreft geen actieve uitvoering maar juist het tegenovergestelde: terughoudendheid uit angst voor afwijzing. Iemand die werkelijk oordeelt dat een populair standpunt in zijn online kring verkeerd is, zwijgt of relativeert, omdat het uitspreken van een afwijkende mening sociaal kostbaar kan zijn. Dit is geen prudentieel oordeel (“dit is niet goed voor mij”) maar de afwijking van een moreel oordeel; wat de spreker als juist beschouwt, durft hij niet publiek te maken.
Dit verschijnsel hangt samen met wat Erving Goffman aanduidt als impression management: de voortdurende constructie van een sociaal aanvaardbaar zelfbeeld voor een publiek.[4] Op sociale media wordt deze constructie uitvergroot doordat het publiek potentieel groot, divers, en blijvend is: elk woord en elk beeld wordt opgeslagen en kan jaren later nog opgehaald worden. De druk om een geïdealiseerde versie van zichzelf te tonen, in overeenstemming met de waarden van de gewenste sociale groep, is daardoor immens.
Mensen zeggen A en doen B omdat zij er goed willen uitzien voor sociale media en sociale kringen. Filosofisch gezien is dit niet eenvoudig “hypocrisie”, wat suggereert dat de spreker zich bewust is van een tegenstrijdigheid en deze cynisch in stand houdt. Het is eerder een dynamiek waarin de sociale waardering structureel sterker werkt op de motivatie dan het morele oordeel zelf. Iemand kan oprecht geloven dat hij eerlijk moet zijn, en tegelijk systematisch zwijgen wanneer eerlijkheid sociale kosten heeft. Dit is akrasia in zuivere vorm, maar opgewekt door een structureel kenmerk van de omgeving, niet door een individueel karakterdefect.
Het uitblijven van innerlijk conflict

Een opvallend kenmerk van de hier besproken vormen van akrasia op sociale media is dat zij door degenen die het betreft doorgaans niet ervaren worden als hypocrisie of zelfverraad. Waar Aristoteles’ akratische persoon innerlijk conflict en spijt ervaart, lijken veel sociale-mediagebruikers de tegenstrijdigheid tussen hun morele uitingen en hun feitelijke gedrag zonder veel innerlijke onrust toe te laten. Dit roept een filosofisch belangrijke vraag op: hoe is dit psychologisch en moreel mogelijk?
Spinoza’s analyse biedt hier een eerste aanknopingspunt. Wanneer iemand zegt “ik weet dat ik niet uit angst voor afwijzing moet zwijgen,” dan is dit volgens Spinoza vaak slechts een inadequaat idee: een sociaal overgenomen overtuiging zonder de doorleefde diepte die haar werkelijk motiverend zou maken. Een inadequaat idee biedt weinig weerstand tegen de affectieve kracht van sociale waardering, en kan bovendien gemakkelijk worden geherinterpreteerd of gerelativeerd zonder dat de spreker zijn zelfbeeld als moreel persoon hoeft op te geven. Hare’s analyse vult dit aan: wanneer een moreel oordeel geen volle prescriptieve kracht heeft maar slechts in afgezwakte vorm wordt onderschreven, ontstaat er geen werkelijk innerlijk conflict bij niet-naleving, er was immers geen werkelijke prescriptie waarvan kon worden afgeweken.
Wat sociale media zo bijzonder maakt, is dat zij deze afzwakking systematisch versterken. De mediale omgeving belast morele uitingen niet met de zwaarte van werkelijke verantwoordelijkheid, en biedt voortdurend rationalisaties die de spreker beschermen tegen zelfconfrontatie (“het is maar online”). Het resultaat is een fenomeen dat tegelijk wijdverspreid en onzichtbaar is: een vorm van akrasia die geen pijn doet, en juist daardoor moeilijk te overwinnen is.
Tussenconclusie: akrasia in een tijdperk van zichtbaarheid
Deze analyse laat zien dat de disharmonie tussen wat mensen zeggen en wat zij doen op sociale media geen toevallig of incidenteel fenomeen is, maar systematisch wordt opgewekt door hoe de omgeving in elkaar zit. Van de drie eerder besproken filosofische analyses blijkt die van Spinoza in deze context het meest verklarend te zijn. Wat hij beschreef als de grotere kracht van nabije affecten boven verre kennis, wordt op sociale media op een bijna klinische manier aan het licht gebracht: sociale waardering is hier letterlijk gekwantificeerd, gemeten en continu beschikbaar gemaakt. Het is alsof het platform zelf ontworpen is om Spinoza’s stelling te bewijzen dat de rede nooit alleen op haar eigen kracht een affect kan overwinnen. Aristoteles’ analyse van de verstoring van de praktische rede door begeerten blijft relevant, maar wordt op sociale media van een uitzonderlijk verschijnsel tot de standaardconditie verheven. Davidsons keurige logische analyse van de kloof tussen oordelen daarentegen schiet hier het meest tekort: zijn focus op een rationeel actor die alles-overwogen oordelen vormt, past slecht bij gebruikers wier oordelen vaak niet eens een conditioneel oordeel zijn maar reactieve, affectief gestuurde uitingen.

Tegelijk krijgt het internalisme-externalisme debat een nieuwe wending. Hare’s prescriptivisme leek aanvankelijk te impliceren dat de meeste online morele uitingen geen werkelijke prescripties zijn, maar slechts afgezwakte vormen van morele taal. Dit oordeel werd als wat cynisch ervaren, maar in de context van sociale media blijkt het verrassend treffend: veel morele uitingen op sociale media functioneren inderdaad niet als werkelijke voorschriften voor het eigen handelen, maar als sociale signalen die voornamelijk gericht zijn op zelfpresentatie. De gematigd internalistische positie blijft plausibel, maar moet worden aangevuld met een structureel inzicht: morele oordelen versterken normaal gesproken motivatie, maar in omgevingen waarin het uitspreken sterker beloond wordt dan het naleven, neemt deze motivatie systematisch af.
De disharmonie tussen zeggen en doen is daarmee niet enkel een kwestie van individueel falen, maar van een omgeving die falen produceert. Dit roept een laatste, normatieve vraag op: als de disharmonie geworteld is in zowel de menselijke psychologie als de structuur van onze sociale omgevingen, hoe kan zij dan worden overwonnen? En wat betekent het, in een tijdperk waarin sociale waardering telbaar en overal aanwezig is geworden, om een goed leven te leiden?
Lees verder!
Noten
[1]James Williams, Stand Out of Our Light: Freedom and Resistance in the Attention Economy (Cambridge: Cambridge University Press, 2018), 27–28.
[2]Williams, Stand Out of Our Light, 32–34.
[3]Voor de psychologische mechanismen die ten grondslag liggen aan deze ontwerpkeuzes, zie Williams, Stand Out of Our Light, 45–47.
[4]Erving Goffman, The Presentation of Self in Everyday Life (New York: Doubleday Anchor Books, 1959), 17–25.