Benjamin Rijnsburger
Deel 1 – deel 2 – deel 3 – deel 4 – deel 5
Een filosofische analyse van “akrasia” in een tijdperk van sociale media — deel 3
Na mijn stage bij de Quest for Wisdom — die onder meer resulteerde in een De Gulden Snede Mei 2026 bijdrage over de liefde in digitale tijden voor het QfWf-jaarthema — ben ik afgestudeerd aan de Erasmus School of Philosophy van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Mijn Bachelorscriptie Wijsbegeerte gaat over het klassieke begrip “Akrasia”, ofwel de disharmonie tussen denken en doen, waarvan ik verschillende aspecten belicht vanuit de geschiedenis van de filosofie. Met mijn filosofische analyse wil ik inzichtelijk maken waarom mensen op sociale media systematisch handelen tegen hun eigen morele oordelen in. En dat deze disharmonie niet alleen voortkomt uit individuele wilszwakte, maar tevens uit de structurele kenmerken van de motivationele omgeving waarin zij zich bevinden. Sociale media zijn, met andere woorden, geen neutrale ruimtes die slechts weerspiegelen wat mensen al zijn, maar ontworpen omgevingen die akratisch gedrag systematisch uitlokken. Hiermee belicht ik de relevantie van deze filosofische analyse voor de digitale tijden waarin we leven.

Het verschijnt in vijf delen op het Wijsheidsweb. In de vorige twee delen volgden we drie filosofische verklaringen die er van akrasia zijn gegeven: een klassieke deugdethische, een vroegmoderne rationalistische, en een hedendaagse analytische benadering van respectievelijk Aristoteles, Spinoza en Davidson. Deze drie denkers bieden elk een verschillende verklaring voor het fenomeen akrasia. Wat zij gezamenlijk laten zien, is dat de eenvoudige verklaring van “luiheid” of “gebrek aan wilskracht” tekortschiet. De disharmonie tussen zeggen en doen is geworteld in fundamentele structuren van de menselijke psychologie: in de relatie tussen abstracte en concrete kennis, in de ongelijke kracht van nabije en verre affecten, en in de logische ruimte tussen oordelen en intenties. In dit deel gaan we in op de vraag wat morele oordelen überhaupt motiverend maakt en waarom deze motivatie soms tekortschiet.
Morele Motivatie
Wat is morele motivatie?
Het vorige deel besloot met de observatie dat de behandelde analyses elk een verschillende verklaring bieden voor akrasia, maar dat zij een gemeenschappelijke vraag onbeantwoord laten: wat maakt morele oordelen überhaupt motiverend, en waarom slaagt deze motivatie er soms niet in om gedrag te sturen? Deze vraag valt onder de noemer morele motivatie, een centraal onderwerp in de hedendaagse metaethiek en moraalpsychologie.[1]
Met morele motivatie wordt gedoeld op de psychologische krachten die mensen ertoe brengen moreel te handelen. De vraag is niet zozeer welke handelingen moreel juist zijn, dat is het terrein van de normatieve ethiek, maar hoe het komt dat morele oordelen iemand kunnen bewegen om iets te doen of na te laten. Wanneer iemand oprecht oordeelt dat liegen verkeerd is, is hij dan daardoor gemotiveerd om de waarheid te spreken? Of zijn morele oordelen op zichzelf machteloos en is er een aparte motivatiebron nodig?
Deze vragen zijn voor de analyse van akrasia van direct belang. Als morele oordelen intrinsiek motiverend zouden zijn, dat wil zeggen, als het oprecht onderschrijven van een moreel oordeel noodzakelijk gepaard gaat met de motivatie om ernaar te handelen, dan zou akrasia in strikte zin onmogelijk moeten zijn. Wie het juiste werkelijk inziet, zou het juiste ook doen. Het bestaan van akrasia lijkt deze positie dus te compliceren. Omgekeerd, als morele oordelen geen intrinsieke motiverende kracht hebben, dan is akrasia geen filosofisch raadsel, maar de verwachte uitkomst: morele kennis en motivatie zijn dan twee aparte zaken die toevallig vaak, maar niet noodzakelijk, samengaan.
Het internalisme-externalisme debat
De kernvraag

In het hedendaagse debat over morele motivatie staan twee posities tegenover elkaar: motivationeel internalisme en motivationeel externalisme. Het verschil tussen beide gaat over de aard van het verband tussen morele oordelen en motivatie. De internalist stelt dat er een noodzakelijk verband bestaat tussen het oprecht onderschrijven van een moreel oordeel en de motivatie om ernaar te handelen. Wie werkelijk oordeelt dat het verkeerd is om te liegen, is daardoor in enige mate gemotiveerd om niet te liegen.[2] De externalist daarentegen ontkent dit noodzakelijke verband: morele oordelen zijn cognitieve toestanden, terwijl motivatie een conatieve toestand is, en deze twee soorten toestanden zijn logisch onafhankelijk.[3] Iemand kan oprecht oordelen dat iets goed is zonder enige motivatie om het te doen.
Dit debat is geen zuiver theoretische kwestie, maar heeft directe implicaties voor het begrijpen van akrasia. Als sterk internalisme waar is, dan is akrasia in strikte zin onmogelijk; als externalisme waar is, dan is akrasia niet eens een filosofisch raadsel maar een verwachte uitkomst.
Varianten van internalisme
Het internalisme komt in verschillende sterktegraden voor.[4] Sterk internalisme stelt dat een oprecht moreel oordeel voldoende is voor motivatie: wie werkelijk oordeelt dat X goed is, is daardoor gemotiveerd om X te doen. Deze positie wordt verdedigd door R.M. Hare, wiens prescriptivisme we later gaan behandelen. Het sterke internalisme heeft als consequentie dat akrasia in strikte zin onmogelijk is: wie tegen zijn oordeel handelt, onderschreef dat oordeel niet werkelijk.
Gematigd internalisme is de meest verdedigde variant onder hedendaagse internalisten. Het stelt dat een oprecht moreel oordeel normaal gesproken motivatie genereert, maar erkent dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn, zoals depressie, extreme vermoeidheid, psychopathie, of overweldigende emoties, waarin het verband verbroken kan worden.[5] Deze positie laat ruimte voor akrasia als een uitzonderlijk fenomeen zonder het internalisme volledig op te geven.
Minimaal internalisme, tot slot, stelt dat een oprecht moreel oordeel enige motivatie genereert, maar dat deze motivatie heel zwak kan zijn en gemakkelijk overwonnen kan worden door andere motivaties. Vanuit deze positie is akrasia wijdverspreid: morele oordelen motiveren, maar vaak onvoldoende om de doorslag te geven tegen sterkere, niet-morele verlangens.
Externalisme als alternatief
Het motivationeel externalisme stelt dat er geen noodzakelijk verband bestaat tussen morele oordelen en motivatie. Morele oordelen zijn overtuigingen over wat goed of juist is, cognitieve toestanden die waar of onwaar kunnen zijn, en motivatie vereist een afzonderlijk verlangen. Net zoals iemand kan geloven dat het regent zonder een verlangen om een paraplu mee te nemen, kan iemand oordelen dat iets moreel verkeerd is zonder enig verlangen om het na te laten.[6]
Dit externalistische standpunt gaat terug op de Humeaanse theorie van motivatie, die stelt dat motivatie altijd zowel een overtuiging als een verlangen vereist.[7] Overtuigingen alleen, inclusief morele overtuigingen, zijn motivationeel inert. Zij kunnen ons vertellen hoe de wereld is, maar zij kunnen ons niet bewegen om de wereld te veranderen. Daarvoor is altijd een verlangen nodig: het verlangen om een goed mens te zijn, het verlangen om gewaardeerd te worden, het verlangen om in overeenstemming met de eigen principes te leven. Morele overtuigingen sturen dit verlangen in een bepaalde richting, maar zonder het verlangen zelf is er geen motivatie.
Implicaties voor het bestaan van akrasia

Het debat tussen internalisme en externalisme bepaalt grotendeels hoe akrasia begrepen moet worden. Voor de sterke internalist bestaat akrasia in strikte zin niet: handelen tegen je oordeel toont aan dat het oordeel niet werkelijk werd onderschreven. Voor de gematigde internalist is akrasia mogelijk maar uitzonderlijk: het vereist bijzondere omstandigheden die het normale verband tussen oordeel en motivatie doorbreken. Voor de minimale internalist is akrasia wijdverspreid: morele oordelen genereren motivatie, maar deze wordt vaak overwonnen door sterkere, conflicterende verlangens. Voor de externalist is akrasia onproblematisch: er is geen reden om te verwachten dat morele oordelen tot moreel handelen leiden, tenzij er een onafhankelijke motivatiebron is.[8]
Wat het bestaan van akrasia ons leert over deze posities, is niet eenduidig. Het wijdverspreide voorkomen van het fenomeen lijkt het sterke internalisme te ondergraven. Maar het feit dat akratische personen niettemin een innerlijk conflict en spijt ervaren, suggereert dat hun morele oordeel toch enige motivationele kracht had, anders zouden zij hun handeling niet als een falen ervaren. Deze observatie ondersteunt eerder de gematigde of minimale internalistische positie dan een puur externalisme. Wat de meest plausibele positie is, hangt mede af van hoe radicaal het probleem van akrasia wordt opgevat.
Hare’s prescriptivisme: kan akrasia werkelijk bestaan?
De prescriptivistische analyse van morele oordelen
De Britse filosoof Richard Mervyn Hare ontwikkelde een metaethische theorie die bekend staat als universeel prescriptivisme, en die belangrijke consequenties heeft voor het begrijpen van akrasia. Hare’s centrale stelling is dat morele oordelen geen beschrijvingen van feiten zijn, maar voorschriften (prescriptions). Wanneer iemand oprecht oordeelt “ik behoor X te doen,” geeft hij zichzelf een soort bevel om X te doen. Een moreel oordeel is in deze opvatting niet zomaar een uitspraak over hoe de wereld is, maar een uitspraak over hoe men moet handelen.[9]
Het cruciale punt is dat voorschriften volgens Hare intrinsiek motiverend zijn. Wie werkelijk een prescriptief oordeel onderschrijft, is daardoor in zekere zin reeds gemotiveerd om te handelen overeenkomstig dat voorschrift. Een prescriptie die geen motivatie genereert is geen werkelijke prescriptie, maar slechts een loos woord. Hiermee plaatst Hare zich stevig in het kamp van het sterke internalisme.
De radicale consequentie voor akrasia
Vanuit dit prescriptivistische kader analyseert Hare het fenomeen van wilszwakte op een manier die afwijkt van vrijwel alle andere bronnen die tot nu toe zijn besproken. Zijn kernstelling luidt: als iemand werkelijk, oprecht en volledig een moreel oordeel onderschrijft, dan handelt hij ernaar, tenzij hij fysiek verhinderd is.[10] Dit volgt direct uit het prescriptivisme: een moreel oordeel is een prescriptie, een prescriptie motiveert intrinsiek tot handelen, dus een werkelijk onderschreven moreel oordeel leidt tot de corresponderende handeling.

De implicatie is verstrekkend. Als iemand zegt “ik behoor X te doen” maar vervolgens X niet doet, dan onderschreef hij volgens Hare het oordeel niet werkelijk in prescriptieve zin. Hij gebruikte de woorden van een moreel oordeel, maar maakte geen echte prescriptie. Hare’s positie sluit dus, paradoxaal genoeg, aan bij die van Socrates: akrasia in strikte zin is onmogelijk. Wie het goede werkelijk kent, in de zin van werkelijk prescriptief onderschrijven, doet het goede.
Hoe Hare het fenomeen toch verklaart
Hare is echter niet naïef: hij ontkent niet dat het fenomeen dat wij gewoonlijk “wilszwakte” noemen voortdurend voorkomt. Hij ontkent slechts dat wat er werkelijk gebeurt, akrasia in strikte zin is. Volgens Hare gebruiken mensen in dergelijke gevallen morele taal in een afgezwakte, niet-prescriptieve zin.[11] Zij gebruiken het woord “behoren” zonder de volle prescriptieve kracht die dit woord normaal gesproken heeft. Iemand kan op maandagochtend oprecht en met volle kracht oordelen “ik behoor gezond te eten,” maar tegen vrijdagavond is de prescriptieve kracht van dat oordeel “verbleekt,” het is een herinnering aan een eerder oordeel geworden, geen levendig, actueel voorschrift. De woorden zijn nog hetzelfde, maar de prescriptieve kracht is afwezig.
Hare’s verklaring sluit op een interessante manier aan bij Aristoteles’ onderscheid tussen het bezitten en het gebruiken van kennis, hoewel Hare het anders formuleert. Wat Aristoteles beschreef als kennis die op het moment van handelen niet actief is, beschrijft Hare als een moreel oordeel zonder volle prescriptieve kracht. Beide denkers proberen, op hun eigen manier, te verklaren waarom de juiste woorden niet altijd tot de juiste handelingen leiden.
Hier is overigens een belangrijk onderscheid op zijn plaats. Het voorbeeld “ik behoor gezond te eten” kan zowel prudentieel als moreel worden opgevat. Prudentieel betekent dat het oordeel in het eigen belang is, gericht op gezondheid of welzijn op lange termijn. Moreel betekent dat het oordeel verbonden is aan een morele verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld zorgplicht voor naasten of klimaatverantwoordelijkheid bij wat men eet. Hare’s analyse is van toepassing op beide vormen.
Kritiek op Hare’s positie
Hare’s analyse is elegant maar heeft significante kritiek ontvangen. De meest fundamentele kritiek is dat zijn theorie dreigt triviaal te worden. Als wilszwakte wordt “verklaard” door te stellen dat het morele oordeel niet werkelijk werd onderschreven, dan wordt de positie onweerlegbaar: elk geval van niet-handelen wordt automatisch bewijs dat het oordeel niet echt was. Maar dit verklaart niets, het herdefinieert slechts het probleem. De vraag verschuift naar: waarom slagen mensen er niet in om hun morele oordelen werkelijk, met volle prescriptieve kracht, te onderschrijven? En die vraag is precies even moeilijk als de oorspronkelijke.[12]
Een tweede kritiek is fenomenologisch. Veel filosofen betogen dat de ervaring van wilszwakte reëler en complexer is dan Hare toelaat. Iemand die na wekenlang diëten toch een stuk taart neemt, ervaart oprecht een conflict tussen wat hij vindt dat hij moet doen en wat hij doet. Het voelt niet alsof hij zijn oordeel “niet werkelijk” onderschrijft, het voelt alsof hij het wel onderschrijft maar er niet naar kan handelen. Davidsons analyse uit het tweede deel doet meer recht aan deze fenomenologie dan Hare’s.[13]
Een derde punt van kritiek betreft de relatie tussen Hare’s positie en de alledaagse morele ervaring. Hare’s analyse impliceert dat de meeste mensen meestal geen “echte” morele oordelen vellen, want de meeste mensen handelen regelmatig niet in overeenstemming met wat zij zeggen te geloven. Dit lijkt een te cynische conclusie: zij reduceert een groot deel van het morele leven tot holle woorden en sociale conventie. Anderzijds kan men betogen dat Hare hier juist een pijnlijke waarheid blootlegt over de oppervlakkigheid van veel zogenaamd morele uitingen.
De kloof tussen oordelen en motivatie
Drie analyses, één onderliggend probleem
We hebben nu het debat over morele motivatie besproken vanuit drie verschillende invalshoeken: het algemene internalisme-externalisme debat, Hare’s radicale prescriptivisme, en de positie van Davidson zoals besproken in deel twee. Hoewel deze posities sterk van elkaar verschillen, brengen zij gezamenlijk een fundamenteel probleem aan het licht: er bestaat een kloof tussen het hebben van een moreel oordeel en het werkelijk handelen daarnaar. De vraag is hoe deze kloof het beste kan worden gekarakteriseerd.
Voor de sterke internalist, zoals Hare, bestaat deze kloof eigenlijk niet; wanneer zij optreedt, was het morele oordeel niet werkelijk prescriptief. Voor de externalist is de kloof juist fundamenteel: morele oordelen en motivatie zijn in principe onafhankelijk, en hun gelijktijdige aanwezigheid is een kwestie van psychologische toevalligheid. Voor de gematigd internalist is de kloof reëel maar uitzonderlijk: morele oordelen genereren normaal gesproken motivatie, en de kloof verschijnt alleen onder bepaalde voorwaarden.
De meest plausibele positie

Welke van deze posities het meest plausibel is, hangt af van wat men van een verklaring van akrasia verwacht. Het sterke internalisme van Hare lijkt het bestaan van akrasia in strikte zin te ontkennen, wat moeilijk te verenigen is met de alledaagse ervaring van het fenomeen. Het externalisme verklaart akrasia te makkelijk: als morele oordelen geen intrinsieke motiverende kracht hebben, dan is het bestaan van de kloof verwacht, maar dan blijft onverklaard waarom akratische personen toch een innerlijk conflict en spijt ervaren. Dit innerlijk conflict suggereert dat hun morele oordeel wél enige motiverende kracht had, anders zou hun handeling niet als een falen worden ervaren.
De gematigd internalistische positie lijkt daarom het meest plausibel. Volgens deze positie zijn morele oordelen normaal gesproken motiverend, maar deze motivatie kan onder bepaalde omstandigheden onvoldoende zijn om de doorslag te geven. Wat zijn deze omstandigheden? De eerder gegeven analyses bieden hier een antwoord: de motivatie kan tekortschieten wanneer de relevante kennis op het moment van handelen niet actief is, wanneer een sterker tegengesteld affect de overhand heeft, of wanneer het onvoorwaardelijke oordeel niet uit het conditionele oordeel voortvloeit. De gematigd internalistische positie sluit met andere woorden naadloos aan op deze drie verklaringen, en integreert deze tot een coherent geheel.
Van individuele psychologie naar structurele context
De vraag die nu niet beantwoord is, is waarom de motivatie in concrete situaties tekortschiet. Wat zijn de psychologische en sociale mechanismen die ervoor zorgen dat morele oordelen hun motiverende kracht verliezen op het moment van handelen? De filosofische analyses van Aristoteles, Spinoza, Davidson en Hare bieden weliswaar begrippen om deze vraag te stellen, maar zij worden grotendeels op een abstract niveau geformuleerd en richten zich vooral op het individuele niveau: wat er gebeurt in één persoon op het moment dat zij handelt.
Dit individuele perspectief is echter slechts een deel van de puzzel. Wanneer wij naar hedendaagse fenomenen kijken zoals sociale media, blijkt dat de disharmonie tussen zeggen en doen niet alleen op individueel niveau speelt, maar structureel wordt gedragen door de kenmerken van de omgevingen waarin mensen handelen. Sociale media zijn ontworpen op een manier die bepaald gedrag systematisch uitlokt en ander gedrag ontmoedigt, los van het karakter of de wilskracht van individuele gebruikers. Het volgende deel verbreedt daarom de analyse: van de individuele psychologie van akrasia naar de structurele en sociale mechanismen die maken dat morele oordelen op grote schaal hun motiverende kracht verliezen.
Het begrip akrasia blijft daarbij het centrale analytische instrument, maar wordt aangevuld met aandacht voor de manier waarop bepaalde omgevingen, in het bijzonder die van sociale media, akratisch gedrag niet alleen mogelijk maken, maar actief bevorderen. Wat in deze paragraaf werd gepresenteerd als de gematigd internalistische positie, dat morele oordelen normaal gesproken motiveren maar onder bepaalde omstandigheden tekortschieten, krijgt later een concrete invulling: het zijn juist de omstandigheden van sociale media die deze tekortkomingen systematisch produceren.
Lees verder!
Noten
[1]Connie S. Rosati, “Moral Motivation,” in The Stanford Encyclopedia of Philosophy, red. Edward N. Zalta, Fall 2016 Edition, https://plato.stanford.edu/archives/fall2016/entries/moral-motivation/.
[2]Rosati, “Moral Motivation,” paragraaf 1.
[3]David Brink, Moral Realism and the Foundations of Ethics (Cambridge: Cambridge University Press, 1989), 37–80.
[4]Voor een overzicht van de verschillende internalistische posities, zie Rosati, “Moral Motivation,” paragraaf 2.
[5]Michael Smith, The Moral Problem (Oxford: Blackwell, 1994), 60–71.
[6]Brink, Moral Realism, 47–48.
[7]David Hume, A Treatise of Human Nature, red. L.A. Selby-Bigge (Oxford: Clarendon Press, 1888), Boek II, deel III, sectie III, pp. 413–418.
[8]Rosati, “Moral Motivation,” paragraaf 4.
[9]R.M. Hare, The Language of Morals (Oxford: Clarendon Press, 1952), 168–179.
[10]R.M. Hare, “Weakness of Will,” in The Encyclopedia of Ethics, 2de ed., red. Lawrence Becker en Charlotte Becker (New York: Routledge, 2001), 1790–1791.
[11]Hare, “Weakness of Will,” 1791.
[12]Voor deze kritiek, zie Davidson, “How Is Weakness of the Will Possible?”, 23–24.
[13]Davidson, “How Is Weakness of the Will Possible?”, 30–32.