De disharmonie tussen zeggen en doen — 2

0

Benjamin Rijnsburger

Deel 1 – deel 2 – deel 3deel 4deel 5

Een filosofische analyse van “akrasia” in een tijdperk van sociale media — deel 2

Na mijn stage bij de Quest for Wisdom — die onder meer resulteerde in een De Gulden Snede Mei 2026 bijdrage over de liefde in digitale tijden voor het QfWf-jaarthema — ben ik afgestudeerd aan de Erasmus School of Philosophy van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Mijn Bachelorscriptie Wijsbegeerte gaat over het klassieke begrip “Akrasia”, ofwel de disharmonie tussen denken en doen, waarvan ik verschillende aspecten belicht vanuit de geschiedenis van de filosofie. Ten slotte toon ik er de actuele relevantie van in de digitale tijden waarin we leven. Met mijn filosofische analyse wil ik inzichtelijk maken waarom mensen op sociale media systematisch handelen tegen hun eigen morele oordelen in. En dat deze disharmonie niet alleen voortkomt uit individuele wilszwakte, maar tevens uit de structurele kenmerken van de motivationele omgeving waarin zij zich bevinden. Sociale media zijn, met andere woorden, geen neutrale ruimtes die slechts weerspiegelen wat mensen al zijn, maar ontworpen omgevingen die akratisch gedrag systematisch uitlokken.

Hier vervolgen we de filosofische verklaringen die er van akrasia zijn gegeven: na die van Aristoteles komt in dit tweede deel Spinoza aan de orde en daarna Davidson. Deze drie denkers vertegenwoordigen drie fundamenteel verschillende benaderingen, respectievelijk de klassieke deugdethische, de vroegmoderne rationalistische, en de hedendaagse analytische benadering. Door deze drie verklaringen naast elkaar te zetten, wordt duidelijk dat de disharmonie tussen wat mensen zeggen en wat zij doen niet eenduidig te verklaren is, maar voortkomt uit verschillende, deels overlappende mechanismen in de menselijke psychologie.

Spinoza:

akrasia als gevolg van de kracht van affecten

Spinoza’s metafysisch kader

Melancholie[4] — tekening Albrecht Dürer

Waar Aristoteles akrasia verklaart als een tijdelijk falen van de praktische rede, biedt Baruch de Spinoza een radicaal andere analyse die geworteld is in zijn metafysische systeem. Spinoza betoogt dat er slechts één substantie bestaat, die hij aanduidt als “God ofwel de Natuur” (Deus sive Natura).[1] Belangrijk voor de analyse van akrasia is dat geest en lichaam in dit systeem geen twee aparte substanties zijn die op elkaar inwerken, maar één en hetzelfde ding, bekeken vanuit twee perspectieven.[2] Dit heeft directe gevolgen voor de verklaring van akrasia: de geest kan het lichaam niet simpelweg “bevelen” om iets te doen of te laten.

Centraal in Spinoza’s psychologie staat het begrip conatus: het streven van elk wezen om in zijn eigen zijn te volharden.[3] In de mens manifesteert dit streven zich als begeerte (cupiditas), en het wordt vergezeld van twee fundamentele affecten: blijdschap (laetitia), wanneer het vermogen om te handelen toeneemt, en droefheid (tristitia), wanneer dit vermogen afneemt.[4] Deze affectenleer vormt het fundament van Spinoza’s analyse van akrasia.

Waarom kennis alleen onvoldoende is

Spinoza’s analyse komt het scherpst tot uitdrukking in een beroemde stelling uit het vierde deel van de Ethica:

“Niets van wat een onwaar idee aan positiefs heeft, wordt opgeheven door de aanwezigheid van het ware, voor zover het waar is.”[5]

Het simpelweg weten van de waarheid is dus niet voldoende om de kracht van een vals idee of een schadelijke emotie te neutraliseren. Waarheid op zichzelf heeft geen motiverende kracht. Sterker nog, Spinoza stelt dat een affect alleen overwonnen kan worden door een sterker, tegengesteld affect, niet door de rede alleen.[6] De rede kan slechts invloed uitoefenen wanneer zij zelf de vorm aanneemt van een affect.

Deze positie heeft grote gevolgen. Wat Aristoteles beschreef als een uitzonderlijke verstoring van de rede door begeerten, beschouwt Spinoza als de standaardconditie van de mens. De meeste mensen leven het grootste deel van de tijd in een toestand die Spinoza “slavernij” noemt: zij worden geleid door affecten waarvan zij de oorzaken niet begrijpen.[7]

Temporele nabijheid en inadequate ideeën

Spinoza — tekening Yassine el Azabi

Een bijzonder relevant aspect van Spinoza’s analyse is zijn bespreking van temporele nabijheid. Hij stelt dat een affect dat betrekking heeft op iets wat als tegenwoordig wordt beschouwd, krachtiger is dan een affect dat betrekking heeft op iets toekomstigs.[8] Dit verklaart waarom mensen systematisch kortzichtig handelen: het onmiddellijke genot van de sigaret nu is als affect krachtiger dan de abstracte kennis dat roken op lange termijn de gezondheid schaadt. Vanuit Spinoza’s perspectief kan de disharmonie tussen wat mensen zeggen en wat zij doen begrepen worden als een gevolg van de ongelijke kracht van nabije versus verre affecten. Mensen zeggen wat zij in koele, reflectieve momenten weten, maar handelen op basis van de krachtigere, nabije affecten die zich in het concrete moment voordoen.

Een ander cruciaal begrip is dat van inadequate ideeën. De meeste mensen leven grotendeels op het niveau van de imaginatio, verbeelding, gebaseerd op zintuiglijke ervaring en associatie.[9] Wanneer iemand zegt “ik weet dat roken slecht is,” heeft hij vaak slechts een inadequaat idee: een sociaal overgenomen overtuiging die niet diep genoeg gaat om zijn gedrag te beïnvloeden. Ware, adequate kennis zou wel motiverend zijn, omdat zij niet een abstracte propositie is maar een doorleefd begrip dat het hele wezen van de persoon transformeert.

Bevrijding door begrip

Hoewel Spinoza een sombere diagnose geeft, biedt hij in het vijfde deel van de Ethica ook een weg naar relatieve bevrijding. Deze bestaat niet in het onderdrukken van emoties, wat volgens hem onmogelijk is, maar in het transformeren ervan door begrip. Een affect dat een passie is, houdt op een passie te zijn zodra wij er een helder en welonderscheiden idee van vormen.[10] Door een emotie werkelijk te begrijpen, verandert haar karakter: zij is niet langer iets dat ons overkomt, maar iets dat wij begrijpen en daardoor kunnen sturen.

Spinoza’s oplossing voor akrasia is dus geen karaktervorming door gewoonte, maar cognitieve en affectieve transformatie. Waar Aristoteles akrasia ziet als een specifiek probleem dat door karaktervorming oplosbaar is, beschouwt Spinoza haar als een structureel kenmerk van de menselijke conditie, dat alleen door een fundamentele transformatie van het kennisniveau verlicht kan worden.

Davidson: akrasia als kloof tussen oordeel en handeling

Het analytische probleem opnieuw geformuleerd

De Amerikaanse filosoof Donald Davidson geeft de discussie over akrasia een sprong naar de hedendaagse analytische filosofie. Zijn essay “How Is Weakness of the Will Possible?” vormt een keerpunt in het debat: het herformuleert het klassieke probleem met de precisie van de moderne handelingstheorie.[11]

Het probleem van akrasia volgens Davidson ontstaat doordat drie op het oog aannemelijke principes samen een tegenstrijdigheid lijken op te leveren. Ten eerste: als een agent vrijwillig en intentioneel handelt, dan doet hij wat hij wil doen. Ten tweede: als een agent oordeelt dat handeling A alles-overwogen beter is dan handeling B, dan wil hij A doen. Ten derde, en in spanning met de eerste twee: het komt regelmatig voor dat iemand oordeelt dat A alles-overwogen beter is dan B, en toch B doet.[12] Wanneer de eerste twee principes worden gecombineerd, lijkt het derde onmogelijk. Toch gebeurt het derde voortdurend in de praktijk. De uitdaging die Davidson zichzelf stelt, is om geen van deze drie principes te verwerpen, maar te laten zien hoe zij verenigbaar zijn.

Conditioneel versus onvoorwaardelijk oordeel

foto Heidi Muijen (bewerking Joke Koppius)
Balans tussen conditionele overwegingen – foto Heidi Muijen

De kern van Davidsons analyse ligt in een onderscheid tussen twee soorten praktische oordelen.[13] Het eerste type is het conditionele oordeel of alles-overwogen oordeel (all-things-considered judgment), dat de vorm heeft: “Gegeven alle redenen die ik heb overwogen, is A beter dan B.” Belangrijk is dat dit oordeel, ondanks het woordje “alles,” nog steeds conditioneel is: het zegt iets over wat het beste is gegeven een bepaalde verzameling redenen. Het tweede type is het onvoorwaardelijke oordeel (all-out judgment), dat de vorm heeft: “A is beter dan B, punt.” Dit onvoorwaardelijke oordeel is wat direct tot intentie en handeling leidt.[14]

Hier ligt de sleutel tot Davidsons verklaring: er is geen logisch dwingende relatie tussen het conditionele alles-overwogen oordeel en het onvoorwaardelijke oordeel. Normaal gesproken volgt het onvoorwaardelijke oordeel uit het conditionele, dat is wat rationele mensen doen, maar het is een principe van rationaliteit, geen wet van de logica.[15] Bij akrasia gebeurt precies dat: de agent vormt het conditionele oordeel “alles overwegend is A beter,” maar vormt vervolgens het onvoorwaardelijke oordeel “ik doe B.” Hij handelt dan intentioneel, hij heeft immers redenen voor B, maar irrationeel in het licht van zijn eigen totaalafweging. De akratische persoon is niet onwetend, niet gedwongen, maar irrationeel in de specifieke zin dat zijn onvoorwaardelijke oordeel niet voortkomt uit zijn conditionele oordeel.

Het principe van continentie en de erkenning van irrationaliteit

Davidson introduceert wat hij het principe van continentie (principle of continence) noemt: het principe dat men dient te handelen in overeenstemming met het eigen alles-overwogen oordeel.[16] De akratische persoon schendt dit principe: hij kent het en volgt het toch niet. Belangrijk is dat Davidson hiermee een radicale stap zet: hij erkent dat akrasia een vorm van echte irrationaliteit is. Davidson accepteert dat mensen werkelijk irrationeel kunnen handelen, niet in de zin dat zij gek of dom zijn, maar in de technische zin dat hun handelen niet logisch volgt uit hun eigen beste oordeel.[17]

Critici betwijfelen of het onderscheid tussen conditionele en onvoorwaardelijke oordelen werkelijk het probleem oplost, of het slechts verplaatst. Als het onvoorwaardelijke oordeel niet logisch uit het conditionele oordeel volgt, wat bepaalt dan welk onvoorwaardelijk oordeel de agent vormt? Davidson lijkt hier te moeten verwijzen naar de sterkste causale kracht, wat hem dichter bij een Humeaans model brengt waarin de sterkste motivatie altijd wint.[18]

Ondanks deze kritiek biedt Davidsons analyse iets wat Aristoteles en Spinoza niet bieden: een analytische precisie waarmee de logische structuur van akrasia in kaart wordt gebracht. Davidson formuleert het in termen van de relatie tussen verschillende soorten oordelen. Terwijl Aristoteles het fenomeen beschreef in termen van het al dan niet actief zijn van kennis en Spinoza in termen van de kracht van affecten.

Tussenconclusie: drie verklaringen, één fenomeen

Aristoteles, Spinoza en Davidson, bieden elk een verschillende verklaring voor het fenomeen akrasia, maar zij delen de erkenning dat de disharmonie tussen wat mensen oordelen en wat zij doen een reëel en serieus filosofisch probleem vormt. Voor Aristoteles ligt het probleem in een falen van de praktische kennis op het moment van handelen: de universele kennis blijft behouden, maar de particuliere toepassing wordt verstoord door de kracht van begeerten en passies.[19] Spinoza verlegt de analyse naar de affecten zelf: kennis op zichzelf heeft geen motiverende kracht, en alleen een sterker affect kan een ander affect overwinnen.[20] Davidson, ten slotte, herformuleert het probleem in termen van de relatie tussen verschillende soorten oordelen: de kloof tussen het alles-overwogen oordeel en het onvoorwaardelijke oordeel dat tot handeling leidt.[21]

Deze drie analyses zijn niet noodzakelijk strijdig. Zij beschrijven hetzelfde verschijnsel vanuit verschillende theoretische kaders en op verschillende abstractieniveaus. Wat zij gezamenlijk laten zien, is dat de eenvoudige verklaring van “luiheid” of “gebrek aan wilskracht” tekortschiet. De disharmonie tussen zeggen en doen is geworteld in fundamentele structuren van de menselijke psychologie: in de relatie tussen abstracte en concrete kennis, in de ongelijke kracht van nabije en verre affecten, en in de logische ruimte tussen oordelen en intenties. Wat in al deze analyses echter onbesproken blijft, is de vraag wat morele oordelen überhaupt motiverend maakt en waarom deze motivatie soms tekortschiet.

Lees verder!

Noten

[1]Spinoza, Ethica, vert. Henri Krop (Amsterdam: Prometheus/Bert Bakker, 2002), I, prop. 14–15, pp. 88–92.[2]Spinoza, II, prop. 7 en bewijs, p. 134.
[3]Spinoza, III, prop. 6, p. 230.
[4]Spinoza, III, prop. 11, scholium, p. 235.
Afbeelding op 8 juli opgevraagd van https://commons.wikimedia.org/wiki/File:D%C3%BCrer_Melancholia_I.jpg. Bron uit het Publieke Domein Die Melancholie — gravure uit 1514 van Albrecht Dürer (1471–1528), Städelsches Kunstinstitut und Städtische Galerie Frankfurt, fotograaf Jan Arkesteijn.
[5]Spinoza, IV, prop. 1, p. 308.
[6]Spinoza, IV, prop. 7, p. 313.
[7]Spinoza, IV, voorrede, pp. 297–302.
[8]Spinoza, IV, prop. 9–13, pp. 314–318.
[9]Spinoza, II, prop. 40, scholium 2, p. 178.
[10]Spinoza, V, prop. 3, p. 411.
[11]Donald Davidson, “How Is Weakness of the Will Possible?”, in Essays on Actions and Events (Oxford: Clarendon Press, 1980), 21–42.
[12]Davidson, “How Is Weakness of the Will Possible?”, 22–23.
[13]Davidson, 36–39.
[14]Davidson, 38.
[15]Davidson, 41.
[16]Davidson, 41.
[17]Davidson, 42.
[18]Voor een kritische bespreking van dit punt, zie Alfred R. Mele, “Weakness of Will and Akrasia,” Philosophical Studies 150, no. 3 (2010): 391–404, hier 393–395.
[19]Aristoteles, Ethica Nicomachea, VII.3, 1147a25–1147b5, p. 210-211.
[20]Spinoza, Ethica, IV, prop. 7, p. 313.
[21]Davidson, “How Is Weakness of the Will Possible?”, 38–41.

Avatar foto

Mijn naam is Benjamin Rijnsburger en ik ben geboeid door de levenskunst die ik heb leren kennen bij de Quest for Wisdom. Na veel tegenvallers op een lange reis door het leven en verschillende studies, ben ik geland bij de studie filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Wat voor mij heeft gezorgd dat ik deze studie heb gekozen, is de fascinatie en toewijding die ik zie bij de professoren, tutoren en medestudenten. Het is aanstekelijk om met mensen te praten die zo gepassioneerd zijn over een bepaald vak en onderwerp en er zoveel van afweten.