Marianne H.B. van Halewijn
Schalkhaar, januari/ augustus 2021
Vrijgevig
Vermoeiende werkdag, ik kijk
naar de beeldbuis
Vechten, ik zap, geweld, ik zap, schieten zelfs op
het jeugdjournaal, ik huiver, zoek de uitknop
lees de krant ― meisjes beroofden een oude vrouw
omslaan ― man trapte zomaar een ander in elkaar
Vermoeiende nacht, ik kijk
op straat
Het hokje bij de halte van de bus, overal scherven
de afvalbak is omgetrapt, het afval ligt op straat
verbijstering, wat is er toch gebeurd in dit vrije land
wat hebben we samen wel of juist niet gedaan?
Spelende kinderen, ik kijk
in het park
Met uitgestoken handje holt het kleine meisje
over het grasveld op me af, geeft me een lach en
haar zelfbenoemde luchtig ijsje, rent weer terug
ik roep mijn dank nog en lik het lekkers vrolijk op
bij de school
Een jochie ziet me, laat zijn vriendje in de steek
strekt zijn armpje ver over de heg om het speelplein
reikt me woordeloos iets aan en rent weer terug
ik neem het kiezelsteentje zorgvuldig met me mee.
Wie zei dat kinderen maar zo weinig weten?
