Het licht van de naderende vriend

0

Anton Simons

Dinsdag 18 oktober 2016, simons-ideeen.blogspot.nl
Jacques Derrida[1]

Het blijft interessant hoe filosofen hun vriendschappen onderhouden. Het probleem is dat ze een flink aantal vrienden hebben die ook filosoof zijn. Daardoor neemt het risico toe dat ze in het geval van een conflict voor de wijsheid zullen kiezen en breken met hun andere vrienden. Want filo-soof, dat betekent ‘vriend van de wijsheid’.

Is eenzaamheid dan het lot van filosofen? Ik ging het bijna geloven, toen ik Paul van Tongeren ooit over vriendschap volgens Nietzsche hoorde spreken. Hij kreeg tegenspel van Derrida, die wel gelooft in vriendschap, maar het begrip ervan zo wil aanpassen dat je tegelijk recht doet aan de ervaring van onmogelijkheid.

Derrida citeert Aristoteles:

O vrienden, er is geen vriend.

Agamben komt op die uitroep terug in een uiterst korte tekst, L’amicouit 2007. Boeiend is dat hij zich concentreert op Derrida’s uitleg van Aristoteles. Zelf ziet hij die uitleg als een latere, minder waarschijnlijke uitleg van het Grieks. We kennen de uitspraak uit de biografie van Diogenes Laertius. Aristoteles zou niet gezegd hebben: ὠ φιλοι, οὐδεις φιλος, maar ᾡ φιλοι, οὐδεις φιλος, dus met een spiritus asper en een jota subscriptum bij de omega. De betekenis verandert dan (terug) in ‘Wie vrienden heeft, heeft niemand als vriend’. Met andere woorden: heb je veel vrienden, bijvoorbeeld Facebookvrienden, dan kun je niet van echte vriendschap spreken.

Agamben beweert dat hij Derrida heeft geattendeerd op de tweede, waarschijnlijkere uitleg. Deze zou hem echter niet hebben vermeld in zijn Politique de l’amitié. Dat is niet waar, maar misschien heeft Agamben een eerdere uitgave gelezen en heeft Derrida het pas in een latere uitgave genoemd. Hoe dan ook, de eerste uitleg zou passen bij de strategie van Derrida om de vriendschap die hij met zijn ene hand erkent, met zijn andere hand weer terug te nemen, net als overigens Nietzsche.

Vriendschap is dus iets dat moet worden aangenomen, het behoort tot de orde van het zijn. Agamben besluit zijn uiteenzetting met een beschouwing over Aristoteles, Nicomachische ethiek, 1170a28-b35. Aristoteles gebruikt daar voor ‘acceptatie’ het woord συναισθανεσθαι, letterlijk mede-waarnemen. De acceptatie van vriendschap gebeurt dus al in vriendschap. De vriend wordt verder een ἑτερος αυτος (heteros autos) genoemd, een ‘ander zelf’. Er ligt dus altijd een tegenstelling besloten in de vriendschap, en die tegenstelling betreft het zelf. In de vriendschap wordt het zelf een ander. En ten derde is die acceptatie geen keuze. Ze moet eerder begrepen worden als een συζην, een samen-leven. Vriendschap betekent dat je iets deelt, niet een of andere substantie, maar het leven zelf.

Zo bezien lijkt het dus eerder onmogelijk om geen vriend te zijn, niet te leven als vriend. Misschien moeten we dit inzicht ook toepassen op de vriendschap tussen laten we zeggen, Agamben en Derrida. Of Jean-Luc Nancy, de vriend die het in een tekst over Derrida betreurde dat de vriendschappelijke betrekkingen van Derrida en Nancy met Agamben voorbij leken. Welnu, Agamben laat zich er hier ook over uit, in zijn korte tekst over vriendschap:

Many years ago my friend Jean-Luc Nancy and I had decided to exchange some letters on the theme of friendship. We were persuaded that this was the best way of drawing closer to — almost “staging” — a problem that otherwise seemed to resist analytical treatment. I wrote the first letter and awaited his response, not without trepidation. This is not the place to attempt to comprehend what reasons — or, perhaps, what misunderstandings- signaled the end of the project upon the arrival of Jean-Luc Nancy’s letter. But it is certain that our friendship — which we assumed would open up a privileged point of access to the problem — was instead an obstacle, and that it was, in some measure, at least temporarily, obscured.

Agamben, What is an Apparatus? And Other Essays, Stanford UP, 2009, p.26

Het kan dus goed zijn dat vriendschap, en daarmee ons begrip van wat het is, verduisterd raakt. Nu hoeft duisternis niet per se negatief te zijn, gebrek aan licht. Zeker niet als we een ander essay van Agamben lezen, over de ‘eigen tijd’, het contemporaine. Agamben keert zich daar tegen Badiou en zijn interpretatie van het beroemde gedicht van Mandelsjtam, Vek (de tijd, de eeuw, ons leven). We moeten de eigen tijd niet begrijpen als een evenement dat we doorzien. De eigen tijd blijft voor ons duister. En toch zitten we er middenin.

De duisternis is precies de gestalte van het licht waarmee de eigen tijd ons nadert. Agamben vergelijkt dit met het licht van de sterren. Het komt met grote snelheid op ons af. Maar doordat het heelal zo snel uitdijt, sneller dan de lichtsnelheid, kan het licht van de sterren ons niet bereiken. Maar dat licht nadert dus wel.

Zouden we deze beschouwing mogen gebruiken om een licht te werpen, al is het een duister licht, op de kwestie van de vriendschap? De vriend zou dan, omdat hij behoort tot de eigen tijd, met grote snelheid wijken, en daarmee ons begrip van vriendschap.

Maar goed, in dat geval kunnen we altijd nog terug naar de tijd waarin de vrienden nog relatief dichtbij waren, onze jeugd. Onlangs trad op een familiereünie, waar ik niet bij was, een fotograaf op die vroeger mijn jeugdvriend was. Nu is hij de fotograaf van foto’s van mijn familieleden, maar door mijn jeugdherinneringen ervaar ik nog zoiets als vriendschap.

We kunnen ook terug naar de vrienden in de Oudheid, naar Aristoteles, en gebruiken de interventies van filologen, Isaac Casaubon in 1616, om de jota subscriptum weer aan te brengen, en Derrida in tweede instantie ook. De strategie van Agamben blijft ons vooralsnog duister, maar het is misschien eenzelfde duister licht dat hij deelt met Nancy en Derrida.

Alweer enkele dagen geleden zat ik de tekst van Agamben te lezen in het halfduister van het Cine Café in Amsterdam, wachtend op mijn broer, met wie ik naar het concert van PJ Harvey ging, een paar meter verderop, in de Heineken Music Hall. Bij dat optreden zaten we op de achterste rij en PJ Harvey zagen we als een stipje in de verte. Duisternis en afstand. Afstandelijkheid ook, zeker ook van PJ Harvey zelf, die tussen de songs niet het woord tot ons richtte, behalve met het voorstellen van de bandleden en met een klein bedankje.

En zo belanden we, met Agamben, in de neuropsychologie, bij ons fysieke vermogen om te wennen aan het duister en er langzaam dingen in te zien. Als een negatief van het teveel aan licht waaraan de man bij Plato moet wennen als hij buiten de grot komt. Als we weer iets meer gewend zijn aan dat duistere licht, zullen we Agambens vertrouwen in de indiscernibilità proberen te betrekken op dit neuropsychologische inzicht.

[1] Bron: Derrida

Avatar foto

Ik ben leraar klassieke talen in Tiel. Daarnaast heb ik ook wat gestudeerd in theologie en filosofie. Alle blogs die ik schrijf zijn manieren om wat ik tegenkom op een of andere manier te gebruiken, als materiaal of uitgangspunt.

Schrijf een reactie